Verliefd op de Nederlandse verzorgingsstaat; In gesprek met Bram Peper

Begrippen als "verzorgingsstaat' en "maakbaarheid' zijn verdacht geworden. Termen als "individualiseren' en "calculeren' zijn ervoor in de plaats gekomen. Burgemeester Peper van Rotterdam verzet zich daartegen. Als traditioneel sociaal-democraat kan hij niet anders.

Dr. Abraham Peper (53) komt uit een Haarlems arbeidersgezin. Hij studeerde sociale geografie in Amsterdam en sociologie in Oslo. In 1966 werd hij lid van de PvdA en hij was van 1975 tot 1981 tweede vice-voorzitter van die partij. Na het aantreden van het kabinet-Den Uyl adviseerde hij minister Van Doorn van CRM.

In 1967 was Peper wetenschappelijk medewerker geworden aan de Erasmus Universiteit onder de socioloog J.A.A. van Doorn. Tussen 1975 en 1982, het jaar van zijn benoeming tot burgermeester van Rotterdam, was Peper hoogleraar sociaal-economisch beleid aan dezelfde universiteit.

Peper speelde als burgemeester een belangrijke rol bij de introductie van het begrip "sociale vernieuwing'. In 1991 werd hij door een onderzoekscommissie als hoofdschuldige aangewezen voor de mislukking van het stadsfeest ter gelegenheid van het 650-jarig bestaan van Rotterdam. Er is volgens burgemeester Peper van Rotterdam iets verschrikkelijks gebeurd in Nederland. De verzorgingsstaat, “in de geschiedenis en in de wereld een totaal uniek verschijnsel”, wordt belachelijk gemaakt en dreigt bij het vuilnis te worden gezet. Het vangnet dat iedereen, of in elk geval 96 procent van de bevolking, een sober doch decent bestaan garandeert en zoveel spankracht heeft dat 800.000 mensen werkloos kunnen worden zonder dat er chaos ontstaat, wordt niet gewaardeerd. “Niemand wordt nog bewogen door deze fantastische constructie”, vat Peper een klacht van de socioloog Van Heek uit 1972 samen.

De intellectuele elite die het unieke karakter van de verzorgingsstaat zou moeten uitdragen, verveelt zich. Het volk dat zou moeten beseffen hoe kwetsbaar de constructie is, gaat op in consumentisme. Zo kan het gebeuren dat de liberalen ongestraft de verzorgingsstaat uitschelden voor "grote verwenmachine' en "aanslag op de menselijke creativiteit'. Terwijl de verzorgingsstaat juist een van de mooiste uitingen van die creativiteit is, zegt Peper. “Dat het met de maakbaarheid afgelopen zou zijn, is een ongelooflijk cliché. De verzorgingsstaat is juist het produkt van maakbaarheid, Verlichting en democratie.”

Dr. A. Peper, oud-hoogleraar sociaal-economisch beleid en oud-vice-voorzitter van de PvdA, is terug in het politieke debat, net als andere oudgedienden zoals Marcel van Dam en André van der Louw. Enkele jaren geleden worstelde Peper nog met problemen op persoonlijk en bestuurlijk vlak, maar hij kwam boven. Hij participeert inmiddels volop in discussies over bestuurlijke vernieuwing. Enige tijd geleden verzocht de partijleiding van de PvdA hem de commissie die het verkiezingsprogramma schrijft van advies te dienen. Samen met onder anderen minister Ritzen, directeur Kalma van het wetenschappelijk bureau van de PvdA en de Groningse hoogleraar De Kam buigt hij zich over de toekomstige inrichting van de verzorgingsstaat.

Peper spreekt gedreven en gaat in tegen heersende modes. Dwars tegen alle pleidooien in zijn partij voor individualisering en een terugtrekkende overheid in, zegt hij: “De PvdA zal een echte liefde voor de verzorgingsstaat moeten ontwikkelen. Die heeft ze eigenlijk nooit gehad. Dat komt onder meer doordat de verzorgingsstaat nog zo jong is. Die werd pas begin jaren zeventig met Bijstandswet, WAO en de AWBZ afgerond. Juist toen hij wat begon voor te stellen, ging men er denigerend over spreken.”

De PvdA mag zich daar nooit toe laten verleiden. Peper: “De verzorgingsstaat herbergt het wezen van progressiviteit. Hij garandeert geen geluk, maar vrijwaart wel van het noodlot van ziekte of ongeluk. Daardoor hoeven mensen niet behoudzuchtig of angstig te worden dat ze op familie of vrienden aangewezen raken als hun iets overkomt. Ze kunnen daarom vooruit denken.”

Als de PvdA echte liefde voor de verzorgingsstaat had gekoesterd, had ze zich volgens Peper gerealiseerd dat deze met veel moeite tot stand was gebracht en daarna nog steeds met veel moeite elke keer opnieuw zou moeten worden bevochten. De partij had echter geen aandacht voor de mentale basis van de verzorgingsstaat. Peper: “Begin jaren zeventig groeide een generatie op voor wie economische groei een gegeven was. De rijkdom van onze gasbel werkte drogerend. De band tussen persoonlijke inspanning en collectieve prestatie werd doorgeknipt. Ik kreeg er in die tijd op de universiteit elk jaar veel geld bij, zonder dat ik daar merkbaar harder voor hoefde te werken.” De verwenning sloeg toe. “Mijn moeder zei vroeger: "Je mag je niet ziek melden'. Daarna is het accepté geworden om zonder schaamrood op de kaken te zeggen: "Ik neem een baaldag'. Wat een pervertering van de verzorgingssstaat!”

Het volk is voor die houding gestraft. De verzorgingsstaat raakte over zijn toeren. Voorzieningen werden onbetaalbaar zodat er ingegrepen moest worden, eerst in de bijstand, nu in de WAO. Jonge werknemers die straks arbeidsongeschikt raken, krijgen een uitkering dicht bij het bijstandsniveau.

Peper vindt dat onrechtvaardig. “De jonge werknemer komt op gigantische achterstand te staan. Ziekte of ongelukken werken geweldig desoriënterend, ook voor mensen met een goed inkomen. Daar komt straks de grote financiële achteruitgang nog eens bij. Eigenlijk moet het voor iedereen die een baal zand op z'n nek krijgt mogelijk blijven om bij de staatssecretaris van sociale zaken aan te kloppen. Want die baal zand is niet je eigen schuld, dat is het noodlot. Misschien denk ik heel traditioneel, maar ook heel streng.”

Peper kan de WAO-ingreep dan ook niet anders beschouwen dan als een tijdelijke terugval. Hij ziet het niet als een stap vooruit, op weg naar een liberale toekomst van ministelsels en particulier bijverzekeren. Hij denkt dat het volk zijn dwaalweg zal inzien en op den duur de “weeffout” zal herstellen. “Ik merkte tijdens het WAO-debat dat er overal, of dat nu VVD'ers of CDA'ers waren, het gevoel heerste: in die WAO-maatregelen zit iets fundamenteel onrechtvaardigs. Het debat over de hoogte van het vangnet spreekt iedereen aan. Ik heb het optimistische gevoel dat de samenleving bereid is tot nieuwe, collectieve arrangementen.”

Pepers eigen partij is in het debat over die arrangementen verdeeld in twee kampen. Het ene is van oud-bewindsman Van Dam die met een beroep op de individualisering lijkt te willen afstevenen op een ministelsel. Het andere kamp is van vice-partijvoorzitter Vreeman die zoveel mogelijk van de oude, collectieve voorzieningen overeind wil houden.

Peper betreurt zoveel versimpeling. “Er worden tegenstellingen gecreëerd die er niet zijn. Van Dam wil een ministelsel, maar daarbij zegt hij niet dat mensen niet meer verantwoordelijk zijn voor elkaar. Ik moet wel zeggen dat hij met zijn pleidooi voor individualisering niet zo consistent is. In de jaren tachtig wilde hij nog collectief een 25-urige werkweek regelen voor iedereen. Ik wil de collectiviteit minder snel opgeven dan Van Dam nu.”

Dus Peper treedt toe tot het kamp-Vreeman? Nu wordt de burgemeester een beetje boos. “Ik voel me in dat type discussie niet thuis. Op Van Dam mag wat aan te merken zijn, maar waar was Vreeman toen het met de WAO uit de hand liep? Die heeft ook niet tijdig opgelet. Iedereen die toen waarschuwde werd door hem in de hoek gezet. Nu komt Vreeman daarop terug. De geloofwaardigheid van zijn huidige stellingname neemt daardoor wat af, n'est-ce pas?”

Allemaal waar, misschien, maar de logische vraag is vervolgens: Waar was Peper? De burgemeester verwijst naar publikaties van zijn hand in de jaren zeventig en tachtig. Toen waarschuwden hij en collega-sociologen als Van Doorn aan de Erasmus Universiteit en Schuyt uit Leiden reeds tegen de zwaardere lasten van iedereen die zich op kosten van de gemeenschap wilde ontplooien. In de bundel "De stagnerende verzorgingsstaat' (1978) klaagde Peper dat de welzijnssector geen zelfbeheersing wist op te brengen, waardoor de kosten daar flink uit de hand liepen. “De PvdA kan dus niet zeggen: We hebben het toen niet geweten”, zegt Peper nu.

Kijkend naar de toekomst ziet de Rotterdamse burgemeester als belangrijke opdracht voor de politiek dat ze bij de burger het besef versterkt van de kosten van de verzorgingsstaat. Dit kan door een effectieve bestrijding van fraude en misbruik van uitkeringen. Peper: “Een tijd lang werden mensen die anderen aangaven voor uitkeringsfraude als criminelen beschouwd. Je kunt het ook zien als het zoeken naar sociale rechtvaardigheid. Als de politiek die signalen niet oppakt en fraude aanpakt komen mensen minder snel tot zelfcorrectie.”

Zo'n uitspraak schept verplichtingen. Donderdag besluit de Rotterdamse gemeenteraad of wethouder Henderson van sociale zaken moet vertrekken. Hij had een onderzoek naar bijstandsfraude in de bureaula laten verdwijnen. Reden: het onderzoek zou statistisch niet kloppen, meer onderzoek was nodig. Moet Henderson in naam van de geloofwaardigheid van de politiek nu gaan?

De burgemeester protesteert. “Ho, ik ben een benoemde functionaris. Daar gaan anderen over.” Vervolgens haalt Peper echter het type verweer van Henderson onderuit zonder diens naam te noemen. Peper: “Er zijn wel meer onderzoeken die misschien niet helemaal volgens de klassiek-statistische lijnen uitgevoerd worden, maar ze komen vaak wel van mensen die hebben opgelet. Ik heb zelf rapporten waarin ik stuitte op spanningen tussen autochtonen en allochtonen en de daarmee samenhangende groei van extreem-rechts, ook openbaar gemaakt. Waarom zouden we dat nu ook niet doen?

“Ik wist niet dat het rapport waar het hier om gaat, in een lade was terechtgekomen. In elk geval had ik de statistische kwaliteiten daarvan graag mede beoordeeld. Die kans heb ik nu niet gekregen. Eventuele bezorgdheid dat ik niet aan het rapport toe zou zijn, vind ik voorbarig. De democratie is geen zaak van bange mensen.”

De verzorgingsstaat moet de bureaula mijden en de burger actief opzoeken. Dat kan volgens Peper alleen door het apparaat verregaand te decentraliseren. Samen met wooncorporaties de verloedering van de wijken tegengaan, met huurdersverenigingen leefomstandigheden in flats verbeteren, volgens Peper gebeurt het allemaal al. Vaak merkt hij echter wel dat lang niet iedereen die iets wil organiseren daar mentaal, sociaal of anderszins ook toe in staat is. “Als de gemeente met een initiatief komt, wordt daar bijna schrokkerig op ingegaan.” In zijn nieuwjaarsrede van 1989 concludeerde Peper al dat dit type achterstand te weinig aan bod kwam. Achterstanden werden naar zijn zin te zeer financieel geïnterpreteerd.

Bij het bestrijden van andere types achterstand zal zijn partij de kunst van het CDA moeten afkijken door aan te sluiten bij bestaande initiatieven in de samenleving zelf. In 1987 zei Peper al: “De PvdA moet zich interesseren voor de zorgzame samenleving. Als je deze afdoet als waardeloos en flauwekul vergeet je dat dat aanslaat bij mensen, en terecht. Niemand kan om de menselijke behoefte heen ergens bij te horen.” Later formuleerde Peper het nog scherper: “Het is uiterst moeilijk en vermoeiend om op vele terreinen tegelijk zelfredzaam te zijn.”

Anders dan het CDA zal de PvdA, verwacht Peper, meer oog hebben voor een veranderend karakter van maatschappelijke verbanden. Het Tweede-Kamerlid Hillen (CDA) kritiseerde onlangs maatschappelijke organisaties zoals milieu- en reizigersverenigingen. Ze zouden minder persoonlijke betrokkenheid bieden dan de oude organisaties van omroep of vakbond. Peper: “Hillen zit in de overgang. Hij staat nog met één been in het verleden van vrij stevige, overzichtelijke maatschappelijke verbanden. De individualisering heeft er juist toe geleid dat men zelf veel meer kan en wil bepalen waar men bij wil horen. De nieuwe organisaties concentreren zich meer op zaken die zich in de directe woon- en leefomgeving aandienen.”

Als de PvdA op die nieuwe organisaties aansluiting vindt, krijgt zij zicht op de revival van de verzorgingsstaat door het herstel van verantwoordelijkheidsbesef. De PvdA-leus voor de komende verkiezingen heeft Peper al: "Doe uw plicht, eis uw recht!'.