Sociale tuimelingen

"Vallende kinderen' heette het omslagartikel van Elsevier van 5 september 1992, en het ging niet over epilepsie, maar over het sociale tuimelen, over teleurgestelde ouders en hun weinig ambiteuze kinderen. Ik kende van huis uit wel dergelijke verhalen, over kinderen die niets wilden, niet op school en niet daarbuiten, en die niet in enig degelijk spoor vielen te duwen. Ik kon me dit als verzet tegen dwingende ouders meestal goed voorstellen, maar nu ik zelf de overstap naar het ouderschap heb gemaakt, begint het begrip voor ouderlijke bezorgdheid wel toe te nemen.

Het Elsevier-artikel gaat over ouders die zelf altijd hard gewerkt hebben en door die inspanning hogerop zijn gekomen. Ze behoren nu tot de maatschappelijke middenklasse, en merken tot hun ontzetting dat het hun kinderen aan ambitie ontbreekt. Zelf hebben ze geploeterd om iets te bereiken, en hun kinderen lijken liever landerig rond te hangen dan dankbaar het ouderlijk pad omhoog te volgen. Dit pad wordt gemarkeerd door diploma's, maar juist dat leren is het laatste waar ze zin in hebben of toe in staat zijn. De teleurstelling is groot, het drama voelbaar, en door alle verschillende verhalen heen doemt als overheersend gevoel de angst voor sociale daling.

De ouders hebben daarbij natuurlijk geen ongelijk. Onderwijs is het belangrijkste kanaal voor sociale stijging geworden. Zonder diploma's ben je tegenwoordig nergens. Het onderwijs is daarbij ook steeds toegankelijker geworden. Na de burgerij kwamen de arbeiders aan de beurt om langer naar school te gaan, en na de jongens de meisjes. Het inhalen van de onderwijsachterstand is een belangrijk hoofdstuk in hun emancipatie, en voor de laatsten nog maar een zeer recent hoofdstuk.

Geen weldenkend mens kan hier tegen zijn, maar toch schuilen er een paar adders onder het zo democratisch ogende gras van de onderwijsexpansie. Onderwijs als mechanisme van sociale plaatsing biedt mensen immers meer mogelijkheden om vooruit te komen en dat op grond van hun eigen verdienste, dan door afkomst; dat is althans de gedachte.

Een van de adders is de voortdurende diploma-inflatie. Diploma's zijn de nieuwe waardepapieren geworden, maar als steeds meer mensen deze kunnen bemachtigen, verliezen ze aan waarde, en moeten ze aangevuld worden met andere certificaten. Terwijl je vroeger met een middelbare-schooldiploma al veel kon, moet je nu gestudeeerd hebben om hetzelfde te bereiken. En deze ontwikkeling treft de laatkomers, in dit geval de lagere klassen en de vrouwen, het hardst. Individueel gezien brengen ze het verder dan hun ouders, maar collectief gezien lijken ze een relatieve achterstand te houden. De waardepapieren blijken aangevuld te moeten worden met weer hogere diploma's; of met iets anders wat moeilijker te bemachtigen valt, zoals zelfvertrouwen, de juiste omgangsvormen en een goed netwerk. Het lijkt een soort wet van eeuwige achterstand die moeilijk te doorbreken valt.

Beide kanten van dit verhaal vallen te lezen in het onlangs verschenen proefschrift van Jan Brands over academici met laaggeschoolde ouders: de trots over de eigen maatschappelijke stijging, maar ook het blijvend gevoel tekort te schieten in sociale vaardigheden en culturele vorming, kortom de onzekerheid over de eigen positie. Hun laaggeschoolde ouders waren de belangrijkste motor op het lange pad omhoog: zij moesten het verder brengen dan hun ouders en de kansen krijgen die deze nooit gekregen hadden. Moeders blijken hierbij een dubbel drijvende kracht te zijn, want zelf in hun jeugd veroordeeld tot het schoenen poetsen van hun minder begaafde broers, zullen hun dochters dit lot ontstijgen, via het onderwijs.

Deze door Brands beschreven academici hebben de stijgingsopdracht van hun ouders goed uitgevoerd. Maar misschien laat hun nageslacht het wel weer afweten, uit tegenzin tegen het sterke arbeidsethos of om welke redenen dan ook, en worden zij weer de vallende kinderen uit het begin van dit stukje.