Radioactief afval als kunstobject

Het verwijderen en opbergen van radioactief afval is een voortdurende bron van zorg, emoties en protesten. Niemand wil dit afval bij zich in de buurt hebben. Des te opmerkelijker is daarom de suggestie van een Oostenrijkse hoogleraar, om dit afval niet weg te stoppen maar het juist een zichtbare plaats te geven in ons milieu. Het zou moeten worden opgeborgen in eivormige bouwsels waar de mens gewoon tussen kan leven.

Vijftien jaar geleden werd na een nationaal referendum in Oostenrijk besloten om de eerste (en tevens laatste) kerncentrale in dat land niet in gebruik te stellen. Toch moet ook dit land een groeiende hoeveelheid radioactief afval kwijt. Dit is echter laag-radioactief afval, afkomstig van ziekenhuizen, laboratoria, de industrie en het in Wenen gevestigde Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA).

Het IAEA laat de radioactiviteit van monsters uit de gehele wereld bestuderen in het Onderzoekscentrum Seibersdorf. Daar wordt al het radioactieve afval van Oostenrijk ook tijdelijk opgeslagen. Maar de opslagcapaciteit raakt vol. Evenals in vele andere landen wordt er naarstig gezocht naar plaatsen waar het afval langer of permanent kan worden opgeborgen. Volgens Peter Krejsa, hoofd afvalbehandeling, zal in het jaar 2000 een lokatie moeten worden aangewezen. Het grootste probleem is acceptatie door de plaatselijke bevolking.

In principe kan ieder gebouw dat voldoet aan de veiligheidseisen voor het opbergen van laag-radioactief afval worden gebruikt. Volgens de in Wenen woonachtige schilder Anton Lehmden zal de acceptatie echter worden bevorderd wanneer men voor een wat speelsere oplossing kiest. Lehmden (64), van geboorte een Slowaak, is hoogleraar aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Wenen en een prominent vertegenwoordiger van de Weense School. Hij is vooral bekend door zijn fantastische landschappen en oorlogstaferelen.

Lehmden heeft eivormige bouwsels ontworpen die sterk doen denken aan de verre planeetbollen die in de jaren zeventig van dichtbij door ruimtesondes werden gefotografeerd. Lehmden vond zijn inspiratie echter niet in de ruimte, maar in de bossen in het noorden van Oostenrijk. Hier liggen reusachtige schommelstenen (Wackelsteine), achtergelaten door terugtrekkende prehistorische gletsjers. Sommige van die stenen kunnen zelfs met de hand aan het schommelen worden gebracht.

Lehmden heeft deze brokken graniet model laten staan voor zijn rondere en gladdere bouwsels in de vorm van een ei: het symbool van het leven. Zijn eieren zouden een wand hebben van beton en roestvrij staal, met een extra binnenbekleding van lood. De dikte zou twee tot drie meter bedragen. De eieren worden ongeveer 20 meter hoog en breed en 30 meter lang en bevatten verscheidene verdiepingen waar de vaten met laag-radioactief afval kunnen worden geplaatst.

De eieren worden gelegd op lagen zand en gravel die tot 40 meter diepte reiken. Hierdoor zouden de bouwwerken ook bestand zijn tegen de trillingen van krachtige aardbevingen. Met de op de buitenwand aan te brengen karakteristieke planeet- c.q. graniettekening zouden de eieren een bijna natuurlijk kenmerk in het landschap worden. Door hun vorm zijn de bouwkosten per kubieke meter opslagruimte echter tweemaal zo hoog als bij een conventioneel gebouw.

Het Onderzoekscentrum in Seibersdorf heeft veel belangstelling voor het ontwerp. Men bestudeert er onder andere de veiligheidsaspecten. Volgens Krejsa is er een redelijke kans dat het concept van Lehmden wordt uitgevoerd. Ook de Nuclear Energy Agency (NEA), een in 1957 opgerichte organisatie voor de ontwikkeling van het vreedzaam gebruik van kernenergie, is positief over Lehmdens “originele kijk op de relatie tussen mens en natuur”.

Hoeveel kans van slagen zou zo'n project in Nederland hebben? Wie ziet zulke eieren al in onze polders of op de Veluwe liggen?