Orgel in het Concertgebouw vernieuwd en "beter dan ooit'

AMSTERDAM, 15 MAART. Na tweeëneenhalf jaar buiten gebruik geweest te zijn wordt het door Flentrop onder handen genomen orgel van het Amsterdamse Concertgebouw aanstaande donderdag voor de derde keer in zijn bestaan ingewijd. Dat gebeurt tijdens een concert waarbij het orgel wordt bespeeld door Leo van Doeselaar. Een van de programma-onderdelen is de wereldpremière van het door Tristan Keuris gecomponeerde Concert voor orgel en orkest, waarbij Van Doeselaar wordt begeleid door het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly.

De orgelbouwer, directeur Hans Steketee van de firma Flentrop, maakte bij de oplevering op 3 maart een terloops grapje toen hij sprak van “een niet alledaagse klus”. Het werk is voor een groot deel 's nachts gebeurd: overdag zijn er immers in de Grote Zaal orkestrepetities en 's avonds wordt er geconcerteerd. Al werd zo veel mogelijk in de werkplaats in Zaandam gedaan, het demonteren en het terugbouwen van het binnenste van het orgel en het tijdrovende intoneren van de ongeveer 3500 pijpen moest vrijwel steeds gebeuren tussen elf uur 's avonds en zes uur 's morgens.

De restauratie was nodig omdat het orgel nauwelijks meer bruikbaar was: het vierde manuaal werkte niet meer, evenmin als bepaalde registers en er waren nogal wat windlekkages. Bovendien produceerde het orgel te weinig volume, zoals pijnlijk bleek in de finale van de Achtste symfonie van Mahler, waarmee Bernard Haitink in 1988 afscheid nam van het Concertgebouworkest.

Maar de organist Piet Kee, samen met Henk Kooiker en de Engelse organist Peter Hurford, lid van de driemanscommissie die de "restauratie' begeleidde, spreekt daarover inmiddels liever als een "renovatie'. “Dat is een subtiel verschil, maar wel met veel betekenis. In de jaren vijftig was het orgel ook eens "gerestaureerd', waarbij het toen erg is bedorven en aangetast. Het was een verbouwing die niet alleen de techniek moderniseerde, waarbij de mechanische overbrenging elektrisch werd. Ook werd de klank van het orgel veranderd. Het typisch laat-negentiende-eeuwse romantische karakter, dat de bouwer Maarschalkerweerd aan het orgel had gegeven, werd gewijzigd in een barokke klank. Dat was destijds ook een soort "modernisering': men wilde helderheid en men wilde op dit orgel vooral Bach spelen.”

Kee noemt die ombouw, waarbij veel van de oorspronkelijke onderdelen en het pijpwerk verdween of flink werd gewijzigd, achteraf zelfs “catastrofaal”. Het was voor hem daarom lange tijd de vraag of hij wel zitting moest nemen in de begeleidingscommissie. “De toestand leek vrij hopeloos. Het orgel heeft trouwens nooit maximaal geklonken, er was altijd nogal veel kritiek. Maar het is goed afgelopen. En het orgel is nu zelfs beter dan ooit!”

De "renovatie' betekent dat de afgelopen jaren voor een groot deel is gewerkt aan een terugkeer naar de oorspronkelijke toestand. Dat geldt in de volle omvang voor het uiterlijk van het orgel. De houten orgelkas, ontworpen door de architect Van Gendt, die ook het Concertgebouw ontwierp, is hersteld in de gouden glorie van destijds. Tientallen jaren van poetsen met boenwas hadden al het bladgoud op het houtsnijwerk onzichtbaar gemaakt. Nu straalt de kas weer zoals bij de oplevering van het orgel in 1891, drie jaar na de ingebruikname van het Concertgebouw. Ook de dof geworden frontpijpen zijn schoongemaakt en gepolijst en blinken weer zilverig. Een al vele jaren opvallend deukje op een van de grote voorste pijpen is onzichtbaar weggewerkt.

De oude speeltafel van het orgel, gemaakt tijdens de vorige "restauratie', is nu verdwenen. De originele speeltafel van Maarschalkerweerd is destijds weggegooid, maar de nu nieuw ontworpen drie-klavierstafel staat weer op de oorspronkelijke plaats, hoog voor het orgel. Dat was nodig om de mechanische bediening van het orgel te kunnen herstellen.

Wel is de handbediening van de registers uitgebreid met een gecomputeriseerd besturingssysteem: daarin kunnen 999 registercombinaties worden opgeslagen. Dat vergemakkelijkt het repeteren met het orkest: als even terug moet worden gegaan in de partituur is de juiste registratie op die plaats in twee seconden ingesteld. Met een druk op de knop schuiven de zo antiek aandoende registerknoppen geruisloos in en uit, als door onzichtbare handen bewogen. Wat zou Maarschalkerweerd daarvan vinden, als hij dat nu zag? Piet Kee: “Bach zou nóg meer verbaasd staan!” Op de speeltafel staat nu ook een monitor, zodat de organist de dirigent vlak naast zijn partituur kan zien en niet telkens daaromheen hoeft te kijken.

Het innerlijk van het orgel is voor een groot deel teruggebracht in de oorspronkelijke toestand. Naar schatting zeventig procent daarvan is nieuw, maar gaat goeddeels terug op de originele toestand. Pijpen die waren ingekort of afgedekt zijn weer hersteld. Maar er is ook nogal wat veranderd en verbeterd. Bovendien is het orgel aangevuld met twaalf registers. Daarmee voldoet het orgel volgens Kee nu ten volle aan de eisen die tegenwoordig worden gesteld aan een orgel in een concertzaal. “Deze renovatie is een restauratie met een ruime blik naar vandaag. Dat is een prachtige parallel met de renovatie van het Concertgebouw in de afgelopen jaren, die het gebouw intact heeft gelaten maar wel beter bruikbaar heeft gemaakt. Het orgel is zó gerenoveerd dat je nu pas goed hoort welk karakter het heeft.”

Dat kon alleen door ook een aantal technische ingrepen te doen. De pijpen van het tweede en het derde klavier, die tot 1990 achter het orgel stonden op een zolder boven de gang van het Concertgebouw, zijn nu binnenin de orgelkas geplaatst. Vroeger waren ze te horen via een zwelkastwand met jalouzieën, die geopend en gesloten konden worden. Nu al het pijpwerk in de hoofdkas staat klinkt het orgel volgens Kee veel beter: “Opeens hoor je die registers ook goed, ze presenteren zich veel meer.”

Dat komt ook omdat het geluid van het orgel voor het eerst in zijn bestaan alleen via het front de zaal ingaat. Vroeger was de bovenkant van het orgel met zwart gaas bespannen en waren er ook gazen panelen in de zijkanten van het orgel. Hierdoor werd het geluid volgens Steketee veel te veel verspreid. Pas nu kan het orgel zijn volume echt laten horen.

De twaalf nieuwe registers zorgen voor klanken en boventoonsversterkingen die het mogelijk maken ook muziek van deze eeuw te spelen, bij voorbeeld van Messiaen. Een van die toevoegingen is de Quint fluit 1⅓, een versterking van de vijfde boventoon. Kee: “Dat is een pittige klankkleur, die je niet op zo'n concertorgel kunt missen. Niks bijzonders, het hoort erop, maar Maarschalkerweerd gaf er dus kennelijk niet om. Uiteindelijk kregen we daarvoor toch toestemming van Monumentenzorg en op de knop heet dat register nu "Maarschalkje'.”

Voor orgelbouwer Steketee is er inmiddels weer ander werk in Amsterdam: hij is nu bezig het onlangs bij een brand sterk door bluswater aangetaste Bätz-orgel uit de Ronde Lutherse kerk te verwijderen en weer langzaam te laten drogen. “Een enorme klus, maar daarop zat ik niet te wachten.”