KRACHTMENS VOL ZELFVERTROUWEN

Hij heeft het lijf van een Chippendale, de kracht van een bootwerker en de mentaliteit van een kampioen. Gisteren won Rintje Ritsma in de Thialf-ijshal, het World-Cupklassement op de 1500 meter. Eindelijk eerste. Maar alleen een tussenstap.

Hij stond vorig jaar versteld toen de PTT na de Europese kampioenschappen een zak post bij hem bezorgde. Dat de mensen ook op hem hadden gelet. Terwijl hij niet eens kampioen was geworden. En nog altijd kan hij er niet over uit dat hij zo veel aandacht heeft getrokken. Begin van dit seizoen is er zelfs een fanclub voor hem opgericht.

Niet dat de 22-jarige man bescheiden is. De blonde krachtmens - 1,90 lang, 91 kilo zwaar, dijen als scheepskabels - bulkt van het zelfvertrouwen, net zoals hij fier is op zijn ereplaatsen. Maar hij vindt dat maar één plaats telt: de eerste. Die heeft hij bij een groot toernooi nog nooit gehaald.

Sommige sporters steken juichend de handen omhoog als ze als tweede over de finish komen. Anderen vieren ook een derde plaats al als een overwinning. Maar Ritsma neemt allleen genoegen met het hoogste. De rest beschouwt hij als “bijzaak”. Winner takes it all.

Daarom zal hij nooit een eeuwige tweede worden. Ook al rijdt hij al twee seizoenen in de schaduw van Zandstra. Daarom zal hij niet eeuwig derde blijven. Al moest hij dit jaar bij de grote toernooien telkens weer volstaan met brons. “Mijn tijd komt nog wel”, zegt hij, zo zelfverzekerd, alsof hij een pact met de duivel heeft gesloten. Alsof hij zijn ziel voor een zege heeft verkocht.

Hoe hij in de ban is geraakt van het winnen? Misschien omdat hij zijn neus ooit heeft platgedrukt op de winkelruit van horlogerie De Balans, waar ze ook medailles en bekers en vergulde schaatsen verkopen. Als kleine jongen in zijn woonplaats Lemmer, waar straten nog robuuste namen dragen als "Vlaak', "Vlet' en "Vormt'. Misschien door de verhalen van zijn opa, die in Lemsterland levenslange vermaardheid verwierf met zijn overwinning bij het skûtsjesilen. Of misschien kreeg hij de smaak van de zeges pas schaatsend te pakken. Hoewel hij aanvankelijk niet zo'n winnaar was.

Zijn schaatsloopbaan begon zoals dat hoort bij een kampioen in spé. Zijn ouders bonden hem als vierjarige dreumes voor het eerst de ijzers onder en hij reed meteen weg, zonder steun, zonder vallen. Zijn eerste Noren waren de afdankertjes van zijn moeder, die hij alleen maar aan kon als hij twee paar sokken droeg. Zijn eerste kennismaking met schaatsclub Preamkeskouwers, nota bene in de zomer, was liefde op het eerste gezicht.

Tot zover de mythe en de stereotypen. Wat niet in het beeld past, is dat hij hartverscheurend lui was. Hij hield niet van trainen, tenminste als er gewerkt moest worden. Pas jaren later, in de kernploeg, heeft hij die ledigheid afgelegd. Hoewel hij er af en toe nog hevig naar terug verlangd.

Eigenlijk begon hij pas voor het eerst serieus te trainen toen hij vijftien was. Dat was nadat hij als reserve-deelnemer verrassend derde werd bij de Nederlandse kampioenschappen voor C-junioren. Daarna bleek ook al gauw dat hij met een beetje inzet makkelijk mee kon met de besten. Zijn uitverkiezingen voor de Friese selectie, Jong Oranje, de kernploeg waren een logisch vervolg.

Drie jaar geleden maakte Ritsma zijn entree in het keurkorps van Ab Krook. De bondstrainer had destijds de keuze uit de man uit Lemmer en Cor-Jan Smulders, die door jeugdcoach Leen Pfrommer evenwaardig waren bevonden. Hij koos Ritsma. “Om zijn mentaliteit en gedrag.” Niet om zijn schaatstechniek, want die liet te wensen over. Daarom moest Ritsma in trainingen vaak achter Veldkamp gaan rijden. Zodat hij kon zien wat schaatsen was.

In de kernploeg leerde Ritsma pas wat techniek was. Tevoren had hij alleen maar zo hard gereden als hij kon. Hoe hij zijn kracht zo efficiënt mogelijk kon omzetten in snelheid, dat had hij zich nooit afgevraagd.

Maar hij leerde snel. Na zijn "stagejaar' bij de kernploeg, waarin hij incidenteel mocht figureren bij World-Cupraces, schaarde hij zich vorig seizoen al meteen bij de wereldtop. Bij de Europese kampioenschappen eindigde hij als derde, bij de mondiale titelstrijd als vijfde. Bij de Olympische Spelen miste hij op de 1500 meter maar net het eremetaal.

Toch is er aan zijn techniek nog steeds “heel veel te verbeteren”, vindt Ab Krook. “We zijn er nog lang niet.” Ritsma morst te veel kracht. Die verspilling is al minder geworden, nadat hij dit seizoen meer recht naar voren is begonnen te schaatsen, net zoals Zandstra, zonder brede slagen. Dat leidde tot forse tijdwinst op de lange afstanden. Zijn persoonlijk record op de vijf kilometer verbeterde hij met zeven seconden, zijn beste tijd op de tien kilometer met dertien seconden. Ook de 1500 meter, zijn beste afstand, reed hij sneller dan ooit.

Maar opnieuw kwam hij bij de Europese kampioenschappen en bij de wereldkampioenschappen niet verder dan derde plaatsen. Opnieuw moest hij Koss en Zandstra voor zich dulden. Zal de kloof tussen hem en de top-2 wel ooit te overbruggen zijn? Hij heft de vlasblonde wenkbrouwen, die zijn uiterlijk zo'n weerloos aanzien geven. “Natuurlijk.” Hij twijfelt geen moment.

“Het verschil wordt steeds kleiner”, zegt hij. Hij hoeft de techniekverbetering die hij heeft ingezet, alleen maar door te trekken. Voorwaarts gericht, zoals Zandstra. De knie zo perfect naar voren duwend als Koss. Met de kracht van een Ritsma. Als dat geen winnende combinatie vormt.

Gisteren kreeg hij alvast een voorproefje van de overwinningsroes. Gisteren eindigde hij bij de World-Cupfinale in Heerenveen als vierde op de 1500 meter. Een plaats die beneden zijn niveau ligt en moet worden toegeschreven aan zijn afgematte lichaam, maar wel voldoende voor de zege in het eindklassement. Die overwinning leverde hem 6000 dollar op, “een aardige bijverdienste”. Belangrijker vond hij dat hij Zandstra en Koss eindelijk eens achter zich liet.