Het democratisch kerkbesef van Ph. Bär

Donderdag jongstleden opende kardinaal A. Simonis in het Brabantse Helvoirt met een plechtige heilige mis een anti-feministisch congres, dat gesponsord werd door de uit Rotterdam afkomstige bungalow-magnaat Piet Derksen. Twee dagen later noemt dezelfde kardinaal het vertrek van bisschop Bär uit Rotterdam "een zwaar verlies'. Hij zal dat heus wel menen, maar hij weet als geen ander dat juist Piet Derksen de laatste jaren niet alleen het episcopaat, maar ook de KRO naar zijn hand wilde zetten en de aartsvijand was geworden van de invloedrijke Rotterdamse bisschop.

Vorige week ontvingen de priesters van het Rotterdamse diocees een brief van bisschop Philip Bär, waarin hij uitlegt, dat hij Rotterdam had verlaten om uit te rusten en zich te bezinnen, ook al in een abdij in België, van de Benedictijnen in Chevetogne. Toen hij in februari zijn huis aan het Emmaplein verliet zei een van zijn naaste medewerkers: “Die zien we niet meer terug”. Zelf schreef de bisschop: “Dat was nodig omdat ik reeds maanden lang voelde dat ik niet meer was opgewassen tegen de inspanningen van het ambt. Ik heb meer dan eens gezegd: Ik weet niet of ik de zeventig zal halen.” Onlangs had hij nog een ontroerend interview gegeven aan Vrij Nederland. Op een grote foto stond hij geheel ontspannen tussen twee misdienaressen. Inwendig was hij misschien wel gespannen, want dit was de eerste foto ter wereld van een residerend bisschop tussen twee vrouwelijke misdienaars, waar Rome steeds zo'n bezwaar tegen maakt. Hoezo bezwaar? Zelfs iedere schijn moest worden vermeden dat vrouwen misschien wel eens in de toekomst enige ambtelijke dienst op het altaar zouden mogen verrichten. Die foto geeft precies aan in welk spanningsveld de bisschop verkeerde.

Ik ben niet erg overtuigd van het waarheidsgehalte, die in officiële verklaringen wordt gegeven in de trant van: “Hij kon geen neen zeggen”. Administratief beschikte de bisschop over een uitstekend secretariaat, een prima perschef en een secretaresse, die niet alleen goed "neen' kon zeggen tegen telefonische indringers, maar ook zijn agenda bewaakte en zorgde dat zijn kerst- en nieuwjaarskaarten steeds op tijd werden verzonden.

Er is wel sprake van een bisschoppenziekte, die in crisistijden ernstige vormen kan aannemen, zoals bij managersziekte tijdens economische recessie ook het geval is. Die ziekte komt vooral voor als je als divisiehoofd niet precies weet hoever je beleidsruimte reikt. Een bedrijfsleider, die onder druk van de economische omstandigheden steeds naar boven moet kijken of zijn creatieve en noodzakelijke initiatieven wel aan de top acceptabel worden geacht heeft geen leven. Als zo'n man of vrouw fysiek of psychisch bezwijkt, gaat er meestal geen golf van medelijden door het bedrijf. Bij een bisschop als Bär is dit wel het geval. Hij wilde immers getuigen van een nieuw evangelisch en democratisch kerkbesef, waarin de verantwoordelijkheid niet meer alleen ligt bij bisschoppen, maar evenzeer bij alle lidmaten, mannen en vrouwen, waar ze in de kerk ook staan.

Ik ben blij, dat de drie bisschoppen, die momenteel een vacature achterlaten nog leven. Dat geldt ook voor bisschop Jan Bluyssen, die ook al wegens ziekte moest aftreden. Volgens insiders heeft hij zijn memoires, waarin over al zijn ervaringen, ook met het Vaticaan, een boekje wordt open gedaan, al geschreven. Misschien heeft mgr. Bär daarvoor de komende jaren ook de tjd, zodat de geschiedenis ons eenmaal zal leren waarom hij precies is afgetreden. Ik spreek niet voor niets de wens uit, dat deze drie - en met mgr. Bluyssen erbij, - vier bisschoppen nog lang mogen leven. Bijna dertig jaar geleden zijn er drie residerende bisschoppen, in de spanningsvolle tijd vlak na het Vaticaans Concilie in een jaar tijds overleden. Naar aanleiding van het overlijden van mgr. J. van Dodenwaard en mgr. W. Bekkers in 1966 schreef het dagblad De Tijd in een commentaar:

“Wij menen, dat in er sommige Nederlandse bisdommen een reeks bedrijfseconomische tekortkomingen is aan te wijzen, die het noodzakelijke "managerswerk' van de bisschoppelijke zielzorgers onnodig verzwaren. Administratief-organisatorisch zit de Nederlandse kerkprovincie zwak in elkaar (). Het soort martelaarschap waartoe nu de bisschoppen worden veroordeeld, is voor de gelovigen, maar waarschijnlijk ook voor de hemel heilloos. Ook bisschoppen verdienen een menswaardig bestaan” (12 mei 1966).

Een jaar later overleed bisschop G. de Vet van Breda. Bij de uitvaartdienst prees Alfrink deze heel bijzondere bisschop, die door zijn contacten met het bedrijfsleven heel goed wist wat managers hadden te verduren. Toch zei Alfrink tenslotte: “Dit heengaan van de derde bisschop bijna binnen een kalenderjaar is voor heel onze Nederlandse kerkgemeenschap een teken aan de wand. Er zijn allerlei factoren, die de verantwoordelijkheid en de persoonlijke inzet van het bisschopsambt ongewoon zwaar maken, zonder dat zij noodzakelijk zijn.”

Alfrink zelf kon heel goed met spanningen leven. Hij besefte, dat zelfs hij, als kardinaal en als persoonlijke vriend van paus Paulus VI, ingeklemd kon raken tussen de verwachtingen, die katholiek Nederland koesterde en die van het bureaucratisch systeem in Rome. Hij werd dan wel eens beschuldigd van een houding, waarin de kool en de geit werden gespaard, maar dat was nu precies het probleem. Een Duitse collega van hem, de bijbelgeleerde en voorganger van Kardinaal Willebrands op het departement van oecumene in Rome, Kardinaal A. Bea zei eens van Alfrink: “Iedereen weet - of moet het weten - hoe moeilijk het voor de gemiddelde mens wordt om het juiste midden te houden. Wie daarnaar streeft, loopt altijd weer het gevaar van links of van rechts beschuldigd te worden van een soms extreem tegenovergestelde houding, of blootgesteld te worden aan het verwijt van een gebrek aan oprechtheid of van een compromishouding.” Het was dan ook heel terecht, dat mgr.dr. A. Vermeulen bij zijn toespraak tijdens de uitvaartdienst van Alfrink, eind 1987, hem prees omdat hij besloten had om de “moedige, maar weinig roemvolle weg te kiezen van het midden”.

Het Vaticaan heeft de gewoonte om belangrijke benoemingen op zaterdag op de telex te zetten. Het ANP was er afgelopen zaterdag vroeg bij, zodat ook deze krant met een snelle berichtgeving kon komen. Het is te hopen dat de nu ontstane vacatures goed worden vervuld. Het liefst door bisschoppen uit de eigen clergé van het bisdom. Bij de nog residerende bisschoppen van Haarlem, Utrecht en 's-Hertogenbosch was dit niet het geval. Spaar ons voor "ultramontaanse' bisschoppen. Om het nog eens te herhalen: dat is niet alleen voor de gelovigen, “maar waarschijnlijk ook voor de hemel heilloos”.