Geschiedenis van een eeuw bladmuziek in Amsterdams Historisch Museum; De vormgeving van het volksvermaak

Tentoonstelling: Geef mij maar Amsterdam, bladmuziekomslagen 1870-1970. Amsterdams Historisch Museum, t/m 9 mei.

Naamsvermelding was niet gebruikelijk. Alleen als de kunstenaar gewend was zijn werk in eigen handschrift te signeren, valt nu nog te lezen hoe hij heette. Jan Sluyters bijvoorbeeld, die het omslag maakte voor de Mei van Dirk Witte, of Leo Gestel die het Pisuisse-lijflied Mensch durf te leven! illustreerde. Op het omslag van Aan de lus van lijn 2, van Clinge Doorenbos, prijkt een prent van Willy Sluiter. En het stemmige straattafereel op het legendarische Als op het Leidscheplein de lichtjes weer eens branden gaan was van Joop Geesink. Maar veel vaker bleven ze anoniem, ook als we nu kunnen vermoeden dat hier Joh. Braakensiek, Marten Toonder, Piet van der Hem of Carol Voges aan het werk is geweest.

De uitgifte van bladmuziek kwam op gang in een tijd dat er nog geen andere middelen waren om een populair liedje vast te leggen. Het waren aanvankelijk anonieme kermisliedjes of "jubelliederen' bij bijzondere gelegenheden. Rond de eeuwwisseling kwamen daar de succesnummers uit de eerste revues bij. Op het omslag stond dan vaak de pronte soubrette of de in rok gestoken charmezanger afgebeeld die het voor het eerst ten gehore had gebracht. Later werden dat de liedjes die men uit de geluidsfilm kende, of via de radio had gehoord. Pas in de jaren zestig raakte de verkoop van de bladmuziek van losse liedjes in onbruik; wie iets uit het hoofd wilde leren en naspelen, kon voortaan terecht bij de cassetterecorder. In het populaire genre bestaan nu alleen nog verzamelbundels.

De geschiedenis van de bladmuziek omspant dus een eeuw en laat zich tegelijk lezen als een geschiedenis van honderd jaar amusement. In de tentoonstelling Geef mij maar Amsterdam, samengesteld door de Vlissingse verzamelaar K.D. Poll, is de aandacht toegespitst op het Amsterdamse amusementsbedrijf en de manier waarop de hoofdstad in die periode is bezongen - van de mars Hulde aan Amsterdam uit 1896 tot en met het in 1971 door Johan Cruyff op de plaat gezette Oei, oei, oei, dat was me weer een loei, toen Ajax de wereldcup had gewonnen. Het is een bonte, tot neuriën aanzettende uitstalling van curiosa waarin overal de echo's opklinken van gebeurtenissen die tot de verbeelding hebben gesproken. Zoals (willekeurig voorbeeld) de introductie van twee verkeersregulerende noviteiten op het Leidseplein, alletwee in 1934 en alletwee meteen bezongen: Clinge Doorenbos legde de opwinding vast in het nummer Stoplicht en Max Blokzijl schreef De verkeersagent. De omslagen, beide in cartooneske stijl, waren respectievelijk van Eppo Doeve en Wam Heskes.

De grote tekenaarsnamen zijn trouwens, het geheel overziend, in de minderheid. De meeste uitgevers lieten de visuele verzorging van hun bladmuziek aan heel wat minder getalenteerde lieden over. Als de titel van het lied en de naam van de uitvoerende ster er maar duidelijk op stonden, was het kennelijk al mooi genoeg. Het gevolg is dat veel omslagen er uitgesproken sjofel en onbeholpen uitzien. Maar ze hebben allemaal een verhaal te vertellen - over Amsterdam, over modeverschijnselen in het amusement of over de vormgeving van het volksvermaak. En dat is het aardige van deze vrolijke verzameling: er is veel méér aan af te lezen dan alleen die titels en die namen.