Erg veel avontuur bij Noordhollands orkest en Reinbert de Leeuw

Concert: Noordhollands Philharmonisch Orkest o.l.v. Reinbert de Leeuw met Elizabeth Canis (mezzo-sopraan). Programma: werken van Sergei Prokovjef, Arnold Schönberg en Karl Amadeus Hartmann. Gehoord: 14/3 Concertgebouw Haarlem. Radio-uitzending: 3/4, VPRO Radio 4.

Het Noordhollands Philharmonisch Orkest bouwde in de afgelopen jaren zorgvuldig aan zijn reputatie van het avontuurlijkste symfonie-orkest van Nederland. Dat beeld dankt het Haarlemse gezelschap vooral aan de inventiviteit van programma-adviseur Piet Veenstra, die platgetreden paden tracht te vermijden en verrasende thematische verbindingen verkiest boven een al te comfortabel feest der herkenning.

Het concert dat het NPhO gistermiddag in het Haarlemse Concertgebouw speelde, zag er op papier dan ook even fascinerend als ambitieus uit. De Derde symfonie van Prokovjef, Schönbergs Begleitungsmusik zu einer Lichtspielszene en de door de componist als "Versuch eines Requiems' omschreven Eerste symfonie van Hartmann zijn rond 1930 geschreven en hebben met elkaar gemeen dat zij de grenzen aftasten van wat muziek aan droefgeestige gevoelens kan uitdrukken. Maar het zijn daarnaast buitengewoon ingewikkelde werken die de kwaliteit van het ensemblespel tot het uiterste op de proef stellen.

Hoewel er duidelijk hard gerepeteerd was en de toewijding van het orkest niet onder deed voor de inzet van dirigent Reinbert de Leeuw, bleef de uitvoering van Prokovjef's Derde steken in goede bedoelingen. De balans in het orkest was niet altijd even ideaal. Meer dan eens moesten de karig bezette strijkers het afleggen tegen de koperblazers en ook in ritmish opzicht klonken soms ongerechtigheden. Merkwaardig genoeg slaagde De Leeuw, toch een meester in het aanbrengen van dynamische schakeringen in het gebied tussen zacht en zeer zacht, er maar ten dele in de spanning in het Andante vast te houden.

In de "begeleidingsmuziek bij een filmscène', door Schönberg geschreven voor een niet-bestaande film, bevond De Leeuw zich op vertrouwder terrein en vlotte het samenspel met het orkest beter. In de vrije twaalftoonsconstructie waarin Schönberg beelden van "Dreigend gevaar, angst en catastrofe' oproept, splitste de orkestklank zich als door een prisma in duistere kleuren.

Het was wellicht raadzaam geweest een minder zwaar programma samen te stellen en de aandacht te concentreren op Hartmanns Eerste symfonie, een bizar en extreem zwartgallig werk, gebaseerd op een tekst van de Amerikaanse dichter Walt Whitman over het onmachtige leed van de mensheid. Nu kwamen de instrumentale details in dit veelvormige werk er wat te bekaaid af. Dat een enigszins verbrokkelde indruk ontstond, lag niet aan de dramatische invulling die de donkere mezzo-sopraan Elizabeth Canis aan haar partij gaf.