Dinosaur Jr. Where you been (Warner Music ...

Dinosaur Jr. Where you been (Warner Music 4509-91627-2)

Glenn Gould The Glenn Gould Edition. Vol.2 (Sony sx6k 52 691)

Jazz vocalen Abbey Lincoln: Devil's got your Tongue (Verve 513 574-2) Betty Carter: Look what I got (Verve 513 870-2). Distributie:Polygram.

Guus Janssen The Amazing Stroopwafels: Onbeperkt houdbaar. Quik QKCD 05.

Dinosaur jr.

Al vijf cd's maakt het Amerikaanse Dinosaur Jr., de groep van zanger/gitarist J. Mascis, hetzelfde liedje. Tempo of arrangement mag dan af en toe verschillen, in structuur en emotie variëren de nummers nauwelijks. De luie kreunende stem van Mascis sleept zich door de begeleiding van drums met ruisende bekkenslagen, simpele bas en zijn eigen gruizige gitaarspel. De opbouw van een typische J. Mascis-song bestaat niet uit de afwisseling tussen couplet en refrein maar neuzelt eerst een tijdje door en pauzeert dan voor een gitaarsolo of een ritmische break.

Dat de uitwerking van deze basis nog wel opmerkelijk kan verschillen, blijkt uit het onderscheid tussen de vorige cd Green Mind (1991) en het nieuwe prachtstuk, Where you been. De heldere produktie van Where you been, de instrumentale toevoegingen als plotseling opduikend klokkenspel of ruimtelijke paukenslagen vormen een contrast met de brei op Green Mind, die Mascis bijna helemaal alleen had volgespeeld. Eén nummer op Where you been springt er uit, het met cello en viool en zonder drums gearrangeerde "Not the Same', waarin Mascis zijn best doet zo zacht en hoog mogelijk te zingen. Mascis, die de andere nummers zingt met het temperament van een kat die zich uitrekt, kan dus ook nog heel gevoelig zijn.

Dinosaur Jr. Where you been (Warner Music 4509-91627-2)

HESTER CARVALHO

Glenn Gould

Wat voor ons een plaatopname is, was voor de negentiende-eeuwer de pianotranscriptie. Een werk als de Zesde symfonie van Beethoven schalt tegenwoordig met één simpele druk op een knop uit de luidspreker. Vroeger moest daar een orkest aan te pas komen, of minimaal een musicus die in staat was om een orkestpartituur min of meer te vertalen op de piano (of een combinatie van instrumenten die toevallig voorhanden waren).

De komst van opnameapparatuur heeft de transcriptie verdrongen. Behalve die van Liszt, want die maakte van bewerkingen nieuwe composities, die zowel klinken naar de oorspronkelijke componist als naar Liszt zelf. Misschien was pianist Glenn Gould daarom in de transcripties van Liszt geïnteresseerd. Gould zelf was ook een "herschepper' van bestaande muziek die, zonder het origineel geweld aan te doen, op basis van zijn excentrieke muzikale opvatting van iedere uitvoering een synthese van hemzelf en de componist maakte.

In het tweede deel van Sony's indrukwekkende Glenn Gould Edition zit ondermeer een uitvoering van Liszts transcriptie van de Zesde symfonie van Beethoven. Het is muziek waarmee Gould zijn Lisztiaanse virtuositeit kan laten horen en zijn vaardigheid om alle melodische lijnen een eigen karakter te geven. Natuurlijk klinkt er alleen een piano (en wat geneurie van Gould), maar als er één pianist is die kan laten horen dat de lage stemmen eigenlijk worden gespeeld door de celli terwijl ondertussen in een middenstem de klarinet klinkt, dan is het Gould.

Belangrijker dan deze transcriptie zijn de werken Bach, de twee- en driestemmige Inventionen en de Goldberg-variaties (de versie uit 1981, die maar liefst ruim twintig minuten langer duurt dan de eerste opname uit 1955). Beide hebben het lichte, bijna etherische geluid, het uitzonderlijk heldere lijnenspel en het fluwelen ritme, dat Goulds interpretatie van Bach kenmerkt.

Vanaf eind april zijn de zes cd's van dit tweede deel van de Gould Edition (met behalve Bach en Beethoven, muziek van Hindemith en Brahms) ook los verkrijgbaar.

The Glenn Gould Edition. Vol.2 (Sony sx6k 52 691)

PAUL LUTTIKHUIS

Jazz vocalen

Betty Carter en Abbey Lincoln werden vorig jaar allebei 62 maar beginnen pas nu een groter publiek te bereiken. Veel meer dan dat plus een voorkeur voor flatteuze hoeden hebben de beide zangeressen niet gemeen. Voor Lincoln die al jaren haar eigen werk schrijft, kan muziek niet duidelijk genoeg zijn. Een melodie is een liedje, een tekst is een statement, die een plechtige declamatie verdient. Op Devil's got your Tongue krijgt ze hiervoor assistentie van allerlei aard: trombonist J.J. Johnson, The Staple Singers, een slagwerkgroep en zelfs een kinderkoor dat heel ongepolijst van de regenboog zingt. Het resultaat is een zeer gevarieerde plaat met een hoog medemenselijkheidsgehalte: I got some Indian in me, I got some Irish in me, I got some Hawaiian Blood, I got some People in me.

Betty Carter produceert al jaren lang haar eigen platen en schuwt daarbij geen standaardrepertoire. En waarom zou ze ook, ze doet er toch mee wat ze wil. It's not about the Melody heet dan ook veelzeggend de nieuwe cd waarop ze opnieuw menig oud stuk uitdagend naar haar hand zet. In I should care ligt het tempo veel hoger dan normaal, in You go to my Head is de frasering "non-standard' en in weer andere stukken zit de oermelodie bijna onvindbaar verstopt. De trio's op deze cd, met o.a. de pianisten Mulgrew Miller en John Hicks en de drummers Lewis Nash en Jeff "Tain' Watts, doen alles wat nodig is om haar lenige lijnen en intieme, lichtgesluierde geluid goed uit te laten komen. Souplesse, dat is het wachtwoord. Dat Betty Carter anders dan Abbey Lincoln geen boodschap heeft maar slechts zichzelf brengt, blijkt het allersterkst uit Dip Bag, een woordloos exposé van eigen makelij. Het stuk is tekenend voor Betty Carter. Een zangeres is ze eigenlijk niet, eerder een instrumentalist die "toevallig' stembanden speelt.

Abbey Lincoln: Devil's got your Tongue (Verve 513 574-2) Betty Carter: Look what I got (Verve 513 870-2). Distributie:Polygram. FRANS VAN LEEUWEN

Guus Janssen

Na zijn klavecimbel-avontuur van vorig jaar, keert Guus Janssen op Klankast terug naar de vleugel. Het resultaat is andermaal een gevarieerde rondreis die leuker is als men route en reisleider al enigszins kent. Want Janssen slaat nooit op goed geluk een weg in, hij heeft altijd iets met zijn klanten voor.

Naast lering ook vermaak, maar niet zomaar, want ook een mop is pas goed als hij goed getimed wordt. Functional bij voorbeeld, waarin Janssen niet de gelijknamige blues van Thelonious Monk ontleedt maar Pannonica, een ander stuk van deze pianist. Naar Monk wordt ook verwezen in het openingsstuk Mikstuur, waarin verder Lennie Tristano en cliché's uit de salsa-muziek opduiken. Achter ieder stuk zit wel iets, zo geen lang verhaal dan wel een anecdote. In Ostinato I mag de rechterhand soms niet weten wat de linker doet, in Hi-Hat- wordt door staccato gehamer op de allerhoogste noten de spot gedreven met het wat stereotype gebruik van dit dubbelbekken in de jazzmuziek. Aan "housers' en "headbangers' moet Guus Janssen ontraden worden, liefhebbers van uitgekiende slapstick echter zullen er veel plezier aan beleven. Het laatste stuk, ooit geschreven voor carillon, heet niet voor niets Dik en Dun. Guus Janssen: Klankast (Geestgronden 9).Distributie: BVHAAST. FRANS VAN LEEUWEN

Stroopwafels

Geheel buiten de gebaande paden van de amusementsmuziek kuieren al dertien jaar The Amazing Stroopwafels door het land, een in wisselende bezettingen verschijnend gezelschapje rond Wim Kerkhof en Rien de Bruin. Ze zijn begonnen als straatzangers en dat is nog altijd hun stiel, maar daarnaast hebben ze intussen een respectabel platen-oeuvre opgebouwd met eigen repertoire. In het openingsnummer van hun nieuwe cd Onbeperkt houdbaar bezingen Kerkhof en De Bruin met veel zelfspot hun trektocht langs cafés en kermissen: “Wij blijven dapper spelen / al lijkt het hopeloos / en zeggen elke avond: / 't was grandioos!”

Kerkhof is van de twee de man die de meeste liedjes schrijft. Hoewel ze, mede door de country-achtige toonzetting, vaak een volkse indruk maken, is er inhoudelijk heel wat aan te beleven. Zoals een sarcastische ode aan de kunstmestfabriek in hun eigen Vlaardingen (“de welvaart kwam met de Superfosfaat”), een vrolijk lied over de binnenvaart met frenetieke fiddle-begeleiding, een komisch nummer over de onafhankelijkheidsbeweging in het Alblasserwaardse buurtschap Vuilendam en een cabareteske uitval naar de bespottelijke straatnamen van tegenwoordig: “Mijn nieuwe adres is Stress nummer 6.” Bovendien houden de heren een aardige traditie in ere door ook ditmaal weer een authentiek levenslied aan te heffen - een nummer uit 1916 van de produktieve, maar nu geheel vergeten schrijver Otto Zeegers.

Er zitten ook wel wat minder geïnspireerde liedjes tussen, maar met hun aanstekelijke muziek en hun gebrek aan pretenties slaan de Stroopwafels zich ook daarheen. En wie het gemak hoort waarmee ze de Nederlandse taal met hun country-ritme hebben gecombineerd, moet zich afvragen waarom er in vredesnaam op feesten en partijen nog zoveel Engels wordt gezongen.

The Amazing Stroopwafels: Onbeperkt houdbaar. Quik QKCD 05.

HENK VAN GELDER