ZELFANALYSE ZONDER GLIMLACH

De memoires van Loe de Jong Herinneringen, deel I door dr. L. de Jong 220 blz., geïll., Sdu 1993, f 49,90 (geb.), f 34,90 (pbk.) ISBN 90 12 08026 6 (geb.) ISBN 90 12 08025 8 (pbk.)

Loe de Jong hoort bij de selecte groep Nederlanders van wie tijdens hun leven al duidelijk wordt dat ze een serieuze biografie verdienen. Niet alleen de omvang en het belang van zijn werk leiden tot deze stelling, ook De Jongs optreden als publieke figuur en bekendste levende historicus van Nederland maakt hem biografiewaardig.

De Jongs unieke status is onverbrekelijk verbonden met een ander verschijnsel uit het recente verleden, namelijk het trauma van een heel volk door vijf jaar Duitse bezetting. Van de nationale worsteling met deze obsessie zijn de boeken van De Jong een gevolg, en tegelijk een "aanjager'. Wie zijn leven beschrijft, krijgt meteen een schitterende gelegenheid om een tijdsbeeld te schetsen.

Wel kan men de vraag stellen of De Jong beseft dat hijzelf een potentieel object van historisch onderzoek is. Een aannemelijk antwoord hierop zou, in De Jong-achtige bewoordingen geformuleerd, kunnen luiden: ""Wij menen van wel.'' Overmatige bescheidenheid is een kwaal waardoor hij nooit is geplaagd. In elk geval zal zijn toekomstige biograaf De Jong dankbaar zijn voor de memoires die hij aan het schrijven is.

De presentatie van het tot nu toe bereikte resultaat is helemaal zoals we dat al dertig jaar van hem gewend zijn. In de eerste plaats is de presentatie van Herinneringen, deel I (gelukkig niet "deel Ia, eerste helft') een staaltje van briljante timing: het rolde van de persen aan de vooravond van de Boekenweek die in het teken staat van (auto)biografie en egodocument. In de tweede plaats gaat de publikatie gepaard met het gebruikelijke circus van embargo's, persconferenties, interviews en een tv-documentaire. En zelfs de inhoud van deze Herinneringen, deel I is ons al vertrouwd, want De Jong heeft talloze interviewers heel veel over zijn leven verteld.

In dit deel beschrijft hij zijn afkomst uit een geassimileerd joods middenstandersgezin met sterke socialistische sympathieën in Amsterdam, zijn middelbare-schooltijd op het Vossius-gymnasium en zijn studie geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Na in 1937 zijn doctoraal te hebben gehaald, werd De Jong redacteur van het weekblad De Groene Amsterdammer, en trouwde hij met de psychiatrisch-sociaal werkster Liesbeth Cost Budde. In de meidagen van 1940 wist het echtpaar De Jong op het nippertje weg te komen naar Engeland. Het grootste deel van De Jongs familie, inclusief zijn ouders, zijn tweelingbroer Sally en zijn jongere zus Jeannette, overleefde de oorlog niet.

Tot 1945 werkte Loe als redacteur-presentator voor Radio Oranje in Londen, waar hij tevens drie delen schreef van een kroniek van bezet Nederland, Je Maintiendrai. Het vierde deel voltooide hij na de bevrijding in Nederland, waar hij inmiddels was benoemd tot "chef' - nog geen directeur - van een pas opgericht "Rijksbureau voor Oorlogsdocumentatie'. Met die benoeming eindigt deel I.

STIJLMIDDEL

De hele aanpak, toon en stijl van dit werk ogen dermate als Loe de Jong ten voeten uit, dat het even lijkt of Herinneringen eigenlijk gewoon deel 15 is van de Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Bij nader inzien blijkt die indruk bedrieglijk: de schijnbare overeenkomsten zijn juist verschillen.

Zo maakt De Jong in Herinneringen weer graag gebruik van zijn geliefde stijlmiddel, de vragende zin. Maar niet alleen hanteert hij dat middel veel vaker dan in zijn eerdere werk, hij werpt nu dikwijls vragen op - uiteraard met een antwoord - die logischerwijs niet bij de gemiddelde lezer zouden zijn opgekomen. De wonderlijke meanders in zijn verteltrant vielen mij pas goed op toen ik in een gedetailleerd beschrijving van een puberale vrijpartij stuitte op de door De Jong plotseling geopperde vraag: ""Greep Dé ook mijn penis?'' Ik dacht al te lezen: ""Wij menen van wel'' (maar dat stond er niet; het antwoord luidde ""nee''), toen tot mij doordrong dat de enige die op dàt moment in het verhaal over dàt meisje die vraag zou stellen - en het antwoord belangrijk zou vinden - Loe de Jong zelf was.

Vooruit en achteruit bladerend zag ik vervolgens overal plaatsen in de tekst waar de schrijver van de hak op de tak springt door zichzelf ineens een vraag te stellen die volstrekt niet uit het betoog voortvloeit. Na bijvoorbeeld te hebben verteld dat hij en zijn broer een ritje op de bok van een paard en wagen maakten, houdt De Jong zichzelf ineens de gewetensvraag voor: ""Hield ik van mijn moeder?'' Deze vraag heeft op zichzelf betekenis, maar is niet de logische pointe van de verder onschuldige anekdote over dat ritje.

Dat er tussen de anekdote en de vraag een witregel is geschoven, illustreert alleen maar dat de auteur zo weinig mogelijk moeite wilde doen om soepele overgangen van de ene passage naar de andere te construeren. De Jongs sterke punt, namelijk zijn vermogen vaart in een verhaal te houden, is in dit boek verzwakt. Het constant afvuren van vragen moet dat maskeren.

KNIPOOG

Een tweede klassiek stijlkenmerk van De Jong, de afwezigheid van humor, heeft in Herinneringen eveneens een eigen lading gekregen. In "Het Geschiedwerk', zoals De Jong zijn magnum opus pleegt aan te duiden, valt gezien het onderwerp zelden iets te lachen. Al pakken zich halverwege dit nieuwe boek ook weer donkere wolken samen, in persoonlijke memoires is voor een ironische glimlach of knipoog naar de lezer altijd wel ruimte. Dat luistert des te nauwer omdat een autobiografie pretentieuzer en onverteerbaarder wordt naarmate het gebrek aan (zelf)spot meer in het oog loopt. Humor is immers een vorm van relativering, en die kan iemand die zichzelf een heel boek waard acht, wel gebruiken.

De Jong heeft geen zin gehad of niet de energie kunnen opbrengen om deze ijzeren wet voor het componeren van een goede autobiografie te respecteren. Dat maakt hem nog niet tot een dikdoener, maar zijn onversneden ernst en zijn merkwaardige drang naar volledigheid geven dit boek iets - ja, iets Pruisisch. De Jongs toekomstige biograaf is er ongetwijfeld mee geholpen, maar daarmee is leesplezier nog niet gegarandeerd. De opsommingen van zijn ooms en tantes, van zijn klasgenoten en leraren op het gymnasium en van zijn docenten aan de universiteit zijn doodgewoon saai omdat de lezer de relevantie daarvan voor het verdere verloop van het verhaal ontgaat.

Hetzelfde effect hebben de vele verwijzingen in de eerste vijftig bladzijden naar De Jongs vroege seksuele ervaringen. Kennelijk heeft hij zich voorgenomen op dit terrein volkomen openhartig te zijn. En zo stuiten wij al op bladzijde 11 op de typering dat zijn moeder ""zachte borsten'' had, en bij het in het bad doen van haar tweeling ""de hele tijd met ons plassertje en omgeving [speelde] zodat we haast stikten van het lachen''.

Wellicht markeerde het opdelven van deze peuterervaring een doorbraak in De Jongs latere psychoanalyse, wij lezers blijven in deze fase van zijn levensverhaal zitten met de vraag waarom we dit eigenlijk moeten weten. Zolang ons dit niet duidelijk wordt, houdt deze openhartigheid iets geforceerds, iets kijk-mij-eens-achtigs.

In heviger mate overviel mij dit gevoel bij de beschrijvingen van de lichamelijke kant van De Jongs verliefdheden. Natuurlijk was het voor de zeventienjarige Loe indrukwekkend voor het eerst Dé's ""ronde opening, die helemaal vochtig was'', te mogen bevoelen, maar omdat vrijwel iedere heteroseksuele jongen dezelfde sensatie wel een keer ondergaat, is het uitspinnen van zulke belevenissen eerder banaal dan taboedoorbrekend. Zelfs de complicaties met Loe's ""niet ingedaalde tweede teelbal'' worden ons niet onthouden. Berustend nam ik voor kennisgeving aan dat zijn latere vrouw Liesbeth haar seksuele training heeft ondergaan bij een Amerikaan, die in het verhaal niet meer terugkeert, maar wiens fotootje zij steeds bij zich droeg.

BRANDENDE EERZUCHT

Ook bij het exploreren van andere uithoeken van zijn persoonlijkheid is De Jong vastbesloten zijn biograaf alvast de weg te wijzen. Waar hij kan, signaleert hij zelf de symptomen dat hij wordt verteerd door een brandende eerzucht. Op zijn tiende reeds ging hij er als vanzelfsprekend van uit dat hij een tekenwedstrijd van het Algemeen Handelsblad zou winnen (wat niet het geval bleek).

Hier moest ik glimlachen, zij het niet conform de bedoelingen van de schrijver. In 1988 namelijk schreef ik, naar aanleiding van de voltooiing van deel 12 (tweede helft) van Het Geschiedwerk, voor een weekblad een poging tot een biografisch portret van De Jong (opgenomen in deel 14, tweede helft, "Reacties'). Daarin dreef ik op milde wijze de spot met De Jongs gewoonte in interviews de grote wendingen in zijn leven, zoals zijn geslaagde vlucht naar Engeland, zijn benoeming tot chef van Oorlogsdocumentatie in 1945, of de toekenning van de opdracht tot het componeren van Het Geschiedwerk, aan het toeval toe te schrijven. ""In werkelijkheid is De Jong een man die kaarsrecht op zijn doel afgaat'', concludeerde ik, ""beheerst door ambitie en doorzettingsvermogen.'' De Jong toonde zich in een gesprek met mij over onder andere deze zin uiterst gepikeerd.

Als De Jong evenwel hoogstpersoonlijk over zijn onstuitbare drang tot het bereiken van zijn doelen uitweidt, overtreft de werkelijkheid soms zelfs zijn eigen herinnering. In een interview heeft De Jong zijn met succes bekroonde wanhoopstocht op 14 mei 1940 naar de haven van IJmuiden ooit ""een wonderlijke samenloop van omstandigheden'' genoemd. Hij had geen auto, maar ineens kon hij op straat vlakbij zijn ouderlijk huis een van de schaarse taxi's aanhouden, die hem en zijn vrouw naar Velsen bracht. In zijn memoires verhaalt De Jong nu van een toevallige ontmoeting, jaren later, met een hem onbekende vrouw, die hem onthulde dat die taxi helemaal niet toevallig was komen aanrijden. Hij was besteld - door een eveneens joodse buurman van de ouders van De Jong, en wel de vader van de vrouw die aan het woord was. De Jong: ""Haar vader was naar de taxi gelopen en had de man duidelijk gemaakt dat hij bij hem moest zijn. Ik [De Jong dus] had gezegd dat dat best zo kon zijn, maar dat ik de wagen veel meer nodig had aangezien ik als redacteur van De Groene (ik zou een nummer hebben laten zien) in veel meer levensgevaar verkeerde. Dat had de buurman toegegeven.'' De buurman had gezegd zelf wel voor een andere taxi te zullen zorgen, maar sindsdien was de taxicentrale onbereikbaar geweest.

De Jong zelf schrijft zich van deze versie van de toedracht niets te kunnen herinneren. Als pleister op de wonde had hij tegen de vrouw gezegd dat het voor haar vader en zijn gezin maar zeer de vraag was geweest of zij ook naar Engeland hadden kunnen ontsnappen als ze de taxi hadden gehouden.

VERSCHILLEN

Over zijn vijf Londense jaren als redacteur van Radio Oranje is De Jong vrij uitvoerig, maar verschaft hij weinig nieuwe inzichten. Hij had zichzelf immers het gras voor de voeten weggemaaid door de twee delen 9 van Het Geschiedwerk die hij aan de Nederlandse regering in Londense ballingschap heeft gewijd, en waarin hij en passant ook een aantal van zijn eigen ervaringen en impressies verwerkte.

Curieus - en voer voor biografen - zijn sommige verschillen tussen zijn herinneringen in deel 9 en die in zijn nieuwe boek. Zo schrijft hij in een voetnoot op bladzijde 151 van deel 9 (eerste helft) dat hij in 1940 ""niet zonder jaloezie'' de bussen zag vertrekken waarmee de Nederlandse ambtenaren elke namiddag van Londen naar hun legersteden buiten bereik van de Duitse bommen werden gebracht. In Herinneringen is van jaloezie geen sprake meer. Het besluit tijdens de Blitz in Londen te blijven, is nu weldoordacht: De Jong had de kans berekend thuis door een bom te worden getroffen, en ""ik kwam uit op een klein percentage''.

Zowel in deel 9 als in zijn memoires haalt De Jong een radiotoespraak aan die hij hield na de Japanse aanval op Pearl Harbor. in die rede verzekerde hij de luisteraars dat blank en bruin in Nederlandsch-Indië geen hoger doel voor ogen stond dan de archipel tot ""een hecht en krachtig bolwerk der democratie'' te maken. ""Ik kreeg hier tal van bewijzen van instemming mee,'' schrijft De Jong nu. Maar in deel 9 wordt zijn herinnering aan die reacties overheerst door de woede van minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy die hij met zijn woorden had uitgelokt. De Jappen klop geven, was immers één ding, invoering van de democratie in Indië daarentegen iets heel anders.

Op één punt is het volkomen begrijpelijk waarom De Jong in zijn latere versie van een gebeurtenis een nuance aanbrengt. In 1944 had de (toen nog) ultra-linkse Engelandvaarder Jacques Gans in Londen een Comité van Actie tegen het Neo-fascisme' opgericht. Hij had de hand kunnen leggen op documenten waaruit bleek dat de Nederlandse regering na de bevrijding de democratie niet wilde laten terugkeren. Het comité zou daartegen in een resolutie protesteren. De Jong had aanvankelijk toegezegd de resolutie mee te zullen ondertekenen, maar na te zijn bepraat door Gerbrandy, trok hij zijn handtekening terug.

In deel 9 noemde De Jong deze daad ""onnozel'', in zijn memoires oordeelt hij hierover: ""Belabberd gedrag.'' Want Gans verdient geen plaats in de geschiedenis wegens zijn latere reactionaire borrelpraat in De Telegraaf, en evenmin om zijn stuitende caféruzies, maar wèl om zijn buitengewoon effectieve waarschuwing tegen het geflirt van de regeerders in Londen met een halve dictatuur. Effectief omdat de Amerikanen, na kennisneming van de Engelse vertaling van Gans' resolutie, bij Gerbrandy informeerden hoeveel NSB-ers er eigenlijk in het Nederlandse kabinet zitting hadden. Daarna was het met de gevaarlijke Gedankenspielerei in Londen gedaan.

ANTISEMITISME

In de media is hier en daar gesteld dat De Jong in zijn memoires met de suggestie komt dat het antisemitisme onder de Nederlandse regeerders in Londen aanzienlijk virulenter was dan eerder bekend was. Ik ben dat niet tegengekomen. De Jong schrijft er niets over dat hij niet al eerder in deel 9 aan de orde stelde. Voor het overige staat De Jong in het verslag van zijn Londense periode hoofdzakelijk stil bij zijn werk voor Radio Oranje. Hij geeft uitgebreide citaten van uitzendingen, en hij vermeldt welk commentaar hij gaf bij belangrijke oorlogsgebeurtenissen.

Onnodig te zeggen dat hij het vrijwel altijd bij het rechte eind blijkt te hebben gehad. ""Waar anderen zich overgegeven hadden aan illusies dat de afschuwelijke oorlog spoedig zou zijn afgelopen, (...) had ik mijn nuchtere kijk op de werkelijkheid nooit verloren. Ik had van daaruit aan de bevolking in bezet gebied nuttige impulsen kunnen geven. Dat was een goed ding,'' oordeelt de historicus over zichzelf, kennelijk bevreesd dat zijn toekomstige biograaf deze verdienste over het hoofd zal zien.

En de lezers krijgen aan het slot van deel I eindelijk van de auteur uitleg, zij het in cryptische termen, over het waarom van zijn vermoeiende volledigheid, van zijn opsommingen van mensen, tekenwedstrijden en teelballen. Dit alles is nodig om straks, bij het lezen van het volgende deel, te kunnen begrijpen welke elementen een rol hebben gespeeld bij de vorming van De Jongs latere persoonlijkheid. Zoals gezegd, op dit moment snapt de lezer nog niet waarom hij alles moet weten, en De Jong snapte het in de door hem beschreven periode van zijn leven evenmin. ""In '45 was het daarvoor te vroeg,'' schrijft hij zelf. ""Ik was nog niet vastgelopen.'' Dat laatste zinnetje is een omineuze verwijzing naar zijn psychische inzinking in de jaren vijftig, en naar de therapie waarmee hij die te boven kwam.

Wat ik De Jong met klem had toegewenst, is de bijstand van een goede editor, die de opzet van zijn Herinneringen had kunnen sturen, en die hem ervan had kunnen overtuigen dat een goede autobiografie niet hetzelfde is als een achterstevoren afgedraaide bandopname van een psychoanalyse.