Wie al jong zaait, moet zelf vruchtbare aarde zoeken (3)

Een lezer uit Amsterdam belde over het thema van de voorgaande artikelen: wie van jongsaf aan regelmatig spaart en belegt, kan na veertig jaar miljonair zijn. 'Die balletjes sparen helemaal niet', schamperde hij, 'ze krijgen geld van pa en over twintig jaar scheppen ze op over hun financiële inzicht. Mijn kinderen moeten het zelf maar verdienen. Leuk plan overigens. Nooit aan gedacht toen ik jong was.'

De Amsterdammer is niet de enige die twijfelt aan de spaarzin van de jeugd. Klopt dat met de werkelijkheid? De uitkomsten van het omvangrijke Scholierenonderzoek 1992 laten dat niet zien. Bijna 15000 scholieren van meer dan 200 scholen voor voortgezet onderwijs is onder meer gevraagd naar hun inkomsten, uitgaven, bezittingen, tijdsbesteding en plannen voor de toekomst. Het blijkt dat driekwart van de schooljeugd tussen 12 en 20 jaar spaart bij een bank: jongens gemiddeld 87 gulden per maand en meisjes 63 gulden. Slechts zes procent meldt nooit te sparen en de rest beheert dat geld zelf. Over de inhoud van het varken was men opvallend minder openhartig dan over veel intiemere vragen over gezondheid en gedrag.

De onderzoekers schatten dat bijna de helft meer dan duizend gulden bezit. Tien procent heeft meer dan 5000 gulden. De jeugd geeft gemiddeld 339 gulden per maand uit. In totaal 406 miljoen per maand of een kleine vijf miljard per jaar. Van iedere gulden wordt circa twintig cent gespaard, de grootste post, kleding komt met elf cent als tweede. Uit niets blijkt dat veel besparingen van de ouders komen. Rond tachtig procent beslist zelfstandig over hun verdiende geld.

Sparen zit er dus al jong in. Desondanks bieden de financiële instellingen nauwelijks serieuze begeleiding en plannen voor later. Het wegleggen voor een korte periode, met spiegels en kralen als beloning en een lage rente als straf, staat voorop. Daarom terug naar het recept voor 20-jarigen die met 60 jaar (dan mag je wettelijk al met pensioen gaan!) baas willen zijn over een miljoen gulden. Vorige week eindigde het verhaal op 26 jaar en een saldo van 25 tot 30 duizend gulden. Mijlenver van het beoogde miljoen, dat vandaag niet meer waard is dan drie ton indien voor de komende veertig jaar de inflatie op drie procent gemiddeld per jaar ligt.

Wat zijn de basis-ingrediënten? Leg al die jaren 300 gulden per maand opzij tegen acht procent netto gemiddeld. Netto wil zeggen: de bruto opbrengst verminderd met belasting en kosten en rekeninghoudend met slechte oogsten. De totale besparing komt uit op 150.000 gulden en de opbrengst, in de vorm van rente, dividend, koerswinst, prijsstijging en uitkeringen van verzekeringen en dergelijke, op 850.000 gulden. Dat bedrag moet je netto binnenhalen! Die anderhalve ton moeten daarom in vruchtbare aarde vallen. Waar liggen die gronden?

Werkt de fiscus mee? Ja, op meer dan een manier. Bij voorbeeld door vrijstelling van de eerste duizend gulden aan rente en dividend; over de hele periode komt dat op 80.000 gulden; 40 maal 2.000 gulden. Niet veel. Maar dat bedrag zal wellicht worden gekoppeld aan een of andere index en dan meer soelaas bieden. Gaan we uit van indexatie en 150.000 gulden, dan resteert er 700.000; 850 min 150.

Spaarverzekeringen bieden meer fiscaal genot. De uitkeringen zijn tot 220.000 gulden per persoon onbelast, bij een duur van 20 jaar. Die uitkering bestaat, bij de huidige rentestand, voor circa de helft uit inleg en de helft uit opbrengst die de verzekeraar maakt. De vrijstelling bedraagt dus globaal een ton. Dat loopt in de toekomst op, want er ligt bij de Tweede Kamer een voorstel om die vrijstelling te koppelen aan een indexcijfer van de gezinsconsumptie. Dan kom je in twintig jaar zo op het dubbele: 200.000per persoon en 400.000 per paar. Dan blijft er nog een half miljoen over; 700 min 200.

Biedt de belasting nog meer? Ja, de aftrek van koopsommen en premies voor een oudedagvoorziening. Die aftrek ligt iets boven de 5.000 gulden per persoon per jaar en is geïndexeerd. Zo verschuif je huidige opbrengsten naar later door investering in een kapitaalverzekering, die op de einddatum omgezet dient te worden in een lijfrente. Tijdens de looptijd is de investering vrij van inkomsten- en vermogensbelasting. Nog een voordeel is het extra rendement: niet alle verzekerden zullen de eindstreep halen. Daar profiteren de sterken van. Ligt het rendement op 12 procent, dan maakt dat een slechte oogst goed. Komt deze aftrek bij elkaar op een ton, dan moet de miljonair in wording nog ergens 400.000 gulden kweken; 500 min 100. Veel meer vruchtbare aarde, waar iedereen gebruik van mag maken, biedt de belastingdienst niet. (wordt vervolgd, voorgaande artikelen 27 februari en 6 maart)

Het rapport Scholierenonderzoek 1992 is verkrijgbaar bij het NIBUD, Laan 20, 2512 GN den Haag.