STANDSBESEF EN PLICHTSGEVOEL

De dagboeken van W. H. de Beaufort, een patricisch burger in de politiek Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918 bezorgd door Hans de Valk en Marijke van Faassen geïll., band I 1874-1910, 600 blz., band II 1911-1918, 650 blz., Instituut voor Nederlandse Geschiedenis 1993, verkrijgbaar bij de boekhandel en het Instituut (Postbus 90755, 2509 LT Den Haag, tel. 070-3814771), f 95,- (pbk.), f 125,- (geb.) ISBN 90 5216 043 0 (geb.) ISBN 90 5216 044 9 (pbk.)

Op 16 februari 1907 werd in Den Haag een aanslag gepleegd op een lid van het kabinet. De dagboekschrijver noteerde: ""Ik ging naar het huis van den minister, gaf mijn kaartje af en had een kort gesprek met de dienstbode, die mij mededeelde dat de minister nog aan het departement was.' De schrijver van deze woorden had als vanzelfsprekend toegang tot de plaatsen waar iets bijzonders voorviel: op vertoon van zijn "kaartje' werd hij toegelaten tot een huis in rep en roer. Hij was bovendien niet ongevoelig voor de gebeurtenissen van de dag. Hij had ""van de twee freules Van Verschuer uit Arnhem' die bij ""hunne tante' vlakbij de plek des onheils logeerden het verhaal al gehoord. De aanslag door een labiele voormalige ""onderkapelmeester' uit Paramaribo had de minister ongedeerd gelaten. Toch wilde hij het naadje van de kous weten, terwijl hij kon bedenken dat de minister wel iets anders aan zijn hoofd had dan een nieuwsgierige kennis op de hoogte te stellen.

Het is een geluk dat Willem Hendrik de Beaufort (1845-1918) niet alleen belangrijke politieke posities bekleedde en nieuwsgierig was, maar ook graag schreef. Afgezien van een uitgebreide reeks gepubliceerde opstellen stelde hij dagboekaantekeningen op schrift die nu in druk meer dan duizend pagina's beslaan. Ze bieden prachtige informatie over het politieke en maatschappelijke leven omstreeks de eeuwwisseling. De Beaufort was geen Thorbecke of Kuyper, geen staatsman die een nieuw politiek tijdperk inluidde, maar wel een invloedrijke persoon die de politiek van zijn tijd mede vorm gaf. De aantekeningen zijn niet de ontboezemingen van een gigant die met kop en schouders boven zijn tijdgenoten uitstak, maar de mededelingen van een representant van een milieu en een mentaliteit.

Juist nu politieke cultuur - de achtergrond van vooronderstellingen, mythes en vanzelfsprekende normen die grote invloed heeft op bestuur, parlement en wetgeving - zich in toenemende belangstelling van publiek en historici mag verheugen, is Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918 een welkome publikatie.

BEHOUDEND LIBERALISME

""Alles wat ik heb geschreven, heb ik willen bewaren voor de latere geslachten', merkt De Beaufort ergens in zijn dagboek op. Toch heeft het lang geduurd voordat het tot uitgave kwam. De historicus H. T. Colenbrander die een levensbericht schreef van De Beaufort citeerde al uit de aantekeningen en zoon J. A. A. H. de Beaufort baseerde er een boek over Nederlandse politieke geschiedenis op. Pas sinds een tiental jaren is het familiearchief echter beschikbaar voor onderzoek - tot verdriet van G. Taal die het bij zijn studie van het Nederlandse liberalisme nog moest stellen zonder De Beauforts aantekeningen. Nu is het dan zover dank zij een initiatief van Hans de Valk van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis te Den Haag.

Maar wie was de schrijver van het dagboek? Geboren uit een patricisch Utrechts geslacht en gehuwd met een telg uit de Amsterdamse bankiersfamilie Van Eeghen deed De Beaufort in de jaren 1870 zijn intrede in de nationale politiek. Met enkele onderbrekingen had hij van 1877 tot zijn dood in 1918 zitting in de Tweede Kamer; afwisselend woonde hij in zijn landhuis Den Treek bij Leusden en in Den Haag. Vanaf het begin voelde hij zich thuis in een behoudend liberalisme en hij ontwikkelde zich tot een woordvoerder van deze richting. Als zodanig trad hij in het liberale kabinet-Pierson (1897-1901) op als minister van buitenlandse zaken. Het was het hoogtepunt van zijn politieke carrière. Aanbiedingen burgemeester van Amsterdam of Den Haag te worden sloeg hij af; ook wenste hij met het oog op de politieke situatie in 1905 niet de rol van formateur op zich te nemen.

Het ministerschap was voor De Beaufort het teken zorgvuldiger en veel regelmatiger dan voorheen zijn dagboek bij te houden. Over drie zaken schreef hij in deze jaren vooral. Eén daarvan had weinig met het buitenland te maken. In 1898 werd Wilhelmina ingehuldigd als koningin; De Beaufort deed in zijn aantekeningen uitgebreid verslag van feesten en plechtigheden en noteerde vooral dat alles zonder wanklank verliep.

De andere twee kwesties hadden rechtstreeks met zijn ministerschap te maken. In 1899 zou de eerste internationele Vredesconferentie gehouden worden. Toen de Russische tsaar voorstelde deze in Den Haag te laten plaatsvinden, was De Beaufort aanvankelijk allesbehalve enthousiast. Welk voordeel kon Nederland van dergelijk vertoon hebben. ""Een kleine staat moet zich zoo veel mogelijk uit het gedrang houden,' meende hij. Toch stemde hij toe en hij zou zich als rechtgeaard liberaal ook later inzetten voor internationaal recht en internationale arbitrage.

DIPLOMATIEKE MANOEUVRES

De organisatie van de Vredesconferentie stelde hem wel voor problemen. Wie moesten er worden uitgenodigd? De paus kon niet worden genviteerd op straffe van problemen met Italië en vertegenwoordiging van de toen nog zelfstandige Zuidafrikaanse republieken Oranje-Vrij-staat en Transvaal zou niet worden getolereerd door Groot-Brittannië dat een zekere zeggenschap over deze staatjes opeiste. Het is aardig in de aantekeningen van de minister de diplomatieke manoeuvres te volgen; hij wilde tegemoet komen aan de wensen van Italië zonder de Nederlandse katholieken al te zeer te bruskeren en aan die van Groot-Brittannië zonder de Nederlandse publieke opinie, die zich zeer verbonden voelde met de Zuidafrikaanse Boeren, geheel tegen zich in het harnas te jagen.

Nauwgezet legde De Beaufort zijn werk vast in zijn dagboek, maar hij wist de kwestie niet op te lossen zonder allerlei krakeel in pers en Kamer. Groter nog waren de problemen toen er in het jaar van de Vredesconferentie een oorlog uitbrak tussen de Zuidafrikaanse republieken en het Britse imperium. Zoals veel Nederlanders van zijn tijd koesterde De Beaufort sympathie voor de Boeren. Dat blijkt uit het dagboek en ook uit zijn lidmaatschap van het bestuur van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging die uit nationalistische overwegingen de banden met de "stamverwanten' wilde aanhalen.

Omdat Nederland zich vanwege het kwetsbare Indië geen conflict met Groot-Brittannië kon veroorloven, meende De Beaufort dat Nederland echter niet meer kon doen dan zwijgend toezien. De publieke opinie dacht daar anders over. Liberalen, confessionelen en zelfs een enkele socialist betuigden luid hun sympathie met de verdrukte Boeren. Met veel moeite wist De Beaufort zijn politiek van afzijdigheid te handhaven.

De houding die De Beaufort aannam tijdens zijn ministerschap typeert zijn persoon en politiek, en biedt een toegang tot de denkwereld van zijn milieu. Bovendien geeft zij de sleutel tot veel passages uit het dagboek. Door zijn biografen wordt hij in schetsen en levensberichten eenstemmig beschreven als een man van beschouwing meer dan van praktijk. Deze neiging sloot nauw aan bij zijn voorkeur voor behoudend en voorzichtig liberalisme. Ze lag misschien ook wel voor de hand voor iemand met zijn achtergrond. Met zijn connecties en opvoeding behoefde hij zich niet naar boven te vechten en kon hij zich een houding van gereserveerde hoffelijkheid en gedistantieerde beschouwing permitteren.

Toen bleek dat De Beaufort naast contacten ook talenten bezat, werd er als het ware automatisch een plaats voor hem vrijgemaakt. Hij behoorde tot de groep van "Honoratioren' of "notables' die, steunende op een vooraanstaande sociaal-economische positie, meende dat haar een voorname taak toekwam in het lokale en nationale bestuur. Met de opmars van de democratie brokkelde de positie van de notabelen aan het eind van de vorige eeuw af. In Duitsland bracht deze ontwikkeling Honoratioren tot een uiterst conservatieve en soms reactionaire politiek. In Nederland heerste in vergelijkbare kringen ook nogal eens ontstemming over de politieke gang van zaken.

"ZELFREGEERING'

Bij De Beaufort is een zeker doemdenken waar te nemen. Hoewel hij volhield in de vooruitgang te geloven en in een van zijn opstellen meende dat ""staatkundige vrijheid en zelfregeering' de toekomst hadden, bezat hij feitelijk weinig vertrouwen in de democratie. Zij bracht immers, zoals hij voor zichzelf noteerde, ""schoolmeesters en klein-burgers' met ""socialistische neigingen' in de politiek voor wie ""eigenlijk de geheele politiek in het verhoogen der bezoldigingen van de kleine ambtenaars en het verlagen der hoogere bezoldigingen' bestond.

En tegen de socialisten en ook de confessionelen kon een fatsoenlijk politicus niet opbieden: ""In den wedloop om populariteit moet ieder ernstig man het toch tenslotte tegen de schreeuwers afleggen.' De Beaufort constateerde het rustig, legde zich bij de situatie neer, berustte in het onvermijdelijke. Hij gleed niet af tot apolitieke wanhoop of antiparlementair radicalisme.

De Beauforts levenshouding moet geplaatst worden tegen de achter-grond van zijn eigenaardige sociale en politieke positie. In de levendige en informatieve inleiding van de bezorgers Hans de Valk en Marijke van Faassen (die de tekst toepasselijk sober annoteerden) wordt De Beaufort omschreven als een ""typisch vertegenwoordiger van de bourgeoisie'. De Beaufort die temidden van bossen en pachters zijn landhuis bewoonde een "bourgeois'? De landheer vergeleek enigszins laatdunkend de vertegenwoordigers van de Zuidafrikaanse Boeren met pachters en Gelderse boertjes, had weinig op met de burgermannetjes die naar zijn smaak bij de antirevolutionairen de dienst uitmaakten en beschreef een nieuw benoemde orthodoxe hoogleraar theologie als ""type boerenpredikant met klein rood gezicht en geen aangenamen oogopslag'.

Er is echter een keerzijde. De Beaufort maakte ook deel uit van de liberale Amsterdamse kring van redacteuren van De Gids en zijn levensbeschouwing van ernst, oprechtheid, plicht en arbeid was bij uitstek burgerlijk. Het geeft nog maar weer eens aan hoe moeilijk in Nederland een patricisch-adellijke en een grootburgerlijke leefstijl van elkaar te onderscheiden zijn.

Zoals Colenbrander schreef, behoorde De Beaufort tot de generatie van ""aanzienlijke families' die vanaf omstreeks 1870 liberaal werd. De conservatieve partij was toen op sterven na dood en de zonen van de "aanzienlijken' die in 1848 Thorbecke voor een halve of driekwart revolutionair hadden versleten sloten zich nu bij de liberalen aan. Behalve De Beaufort waren dat bijvoorbeeld Joan Roëll en Donald baron Mackay. Het duurde niet lang. Zoals De Beaufort mistroostig noteerde, trok later vooral de chirstelijk-historische richting de heren met dubbele namen tot zich.

REDELIJK HERENOVERLEG

Wat hield het voorzichtige liberalisme van De Beaufort en de zijnen eigenlijk in? Vooral waarschijnlijk een verknochtheid aan redelijk herenoverleg, ernstige parlementaire politiek, constitutionele monarchie en ordelijk bestuur. De Beaufort moest niets hebben van de autoritaire ""toestanden van voor een eeuw' zoals men die hier en daar in Duitse vorstendommetjes kon aantreffen. En bij de spoorwegstaking van 1903 noteerde hij - al was het met enige aarzeling - dat ""een stelsel van regeeren door vreesaanjaging' niet liberaal was en de strafbepalingen ""eigenlijk een verschilpunt tusschen liberalen en conservatieven' zouden moeten zijn.

Met lawaaiige openbare vergaderingen wilde hij echter niets te maken hebben en de tolerantie van zijn protestantse liberalisme strekte zich niet uit tot katholieken, ""de pest van ons politieke leven': ""Zij demoraliseren iedere partij.' Zijn vorm van liberalisme - de vorm was niet uitzonderlijk - gedijde het beste in een wereld waarin emancipatie van allerlei aard nog theorie was en verre toekomst. De vrouwenemancipatie verliep geleidelijk en misschien juist daarom kan men hier en daar opmerkingen vinden waaruit blijkt dat De Beaufort niet onwelwillend stond tegenover een grotere rol van vrouwen in het openbare leven.

De opmerkingen nemen echter niet weg dat vrouwen in de aantekeningen - afgezien van Emma en Wilhelmina - vrijwel alleen verschijnen als spelbreeksters: de koning van België heeft niet heimelijk maar openlijk ma^itresses, een minister gaat wegens een scheiding aftreden, eerste minister T. Heemskerk heeft een echtgenote die teveel van uitgaan houdt, en ten slotte - kan het zo geformuleerd worden? - de dood van zijn vrouw verstoort het leven. Zijn vrouw komt anderszins zelden voor in de aantekeningen. Op 12 juni 1913 schrijft hij: ""De dag der verkiezingen nadert. Ik heb echter in de laatste twee weken mijne gedachten bij geheel andere zaken moeten bepalen door de korte ziekte en het overlijden mijner vrouw... In zulke dagen denkt men niet aan de publieke zaak en ook nu is het een zware plicht zich weder te gaan bezighouden met de belangen van het land.'

De Beaufort schrijft in zijn dagboeken nauwelijks over zijn zieleroerselen. Toch behoeft men niet te twijfelen aan de betekenis die zijn vrouw voor hem had. De wijze waarop hij in zijn dagboek afscheid van haar neemt, is veelzeggend: het verdriet blijft maar de plicht roept. Dit - burgerlijke - plichtsgevoel is overigens het overdenken waard. Het verbood namelijk de verantwoordelijke burger een openbare functie te aanvaarden met uitbundig plezier en uitgesproken ambitie. Zoals men dat in allerlei toonaarden in egodocumenten uit de negentiende eeuw kan lezen, meende ook De Beaufort dat hij zich slechts uit plichtsbesef voor het ministerschap beschikbaar stelde: zijn eerste gedachte was ""om dadelijk te weigeren'.

Deze reflex was meer dan conventie, laat staan zelfbedrog; hij was de uiting van een manier van leven. De burgerlijke landheer of patricische burger De Beaufort leefde in het rustige besef dat hij met zijn achtergrond en gaven de plicht had bij te dragen aan de nationale cultuur en het landsbestuur. De keerzijde van het plichtsbesef was echter dat deze zaken dan ook dienden te worden overgelaten aan hen die over de stijl en de generatielange opleiding beschikten die hen ervoor bestemde.

"LAWAAIMAKERS'

Er was misschien niets waaraan De Beaufort zo'n hekel had als aan het verschijnsel van de parvenu. Het woord komt niet vaak voor in de aantekeningen. Merkwaardig genoeg bezigde hij het in een opmerking over internationale politiek. Hij ergerde zich in 1912 aan ""de parvenu-staatkunde van Duitschland sedert 1866 en 1870'. Deze politiek was hem dus opgevallen vóór de Eerste Wereldoorlog - die een enorme indruk op hem maakte en waaraan meer dan eenderde van zijn aantekeningen gewijd is. In de oorlog, toen hij de Nederlandse neutraliteit verdedigde maar een duidelijke voorkeur had voor Engeland en Frankrijk, meende hij: ""De plotselinge aanwas van Duitschlands macht heeft aan het Duitsche volk den overmoed van den op eenmaal rijk gewordene ingeboezemd.'

De huidige lezer zal overigens het gemak verbazen waarmee De Beaufort oordeelt. ""De Belgen zijn grootsprekers en lawaaimakers en veelal zeer onwaarheidlievend'; het is duidelijk dat ""een politiek van geweld en van verkrachting van het recht van den zwakke in den geest is van het Engelsche volk"', ""Russen zijn geen volk voor omwentelingen' enzovoort.

De arrogantie en rigiditeit, het gebrek aan voorname stijl en de cynische berekening die De Beaufort de parvenu Duitsland verweet, waren voor hem ook de kenmerken van de politiek van Abraham Kuyper. Die voorman der anti-revolutionairen was voor hem ""het type van den politicus der democratische maatschappij, naar Americaansch model"'. Vooral misschien verweet hij hem aanstellerij en onoprechtheid. Met zijn criterium van eerlijke politiek - zorgvuldig bestuur waarin het karakter van de individuele politicus centraal stond - veroordeelde hij het populisme van Kuyper.

De Beaufort stond ver af van de ""domme menigte' en dat stoorde hem niet: ""Wie weet wat er onder de lagere standen omgaat?' Als hij daarvan een indruk wilde krijgen, vroeg hij zich af hoe de houding tegenover Oranje was. De Beaufort hechtte zeer aan fatsoenlijk koningschap want een vorst die zich gedroeg zoals het privé en constitutioneel behoorde, kon dienst doen als nationaal symbool. Zijn verwijten aan het adres van de vorsten in de Eerste Wereldoorlog zijn dan ook niet de uiting van twijfel aan het instituut van de monarchie (zoals de inleiders menen) maar kritiek op hun taakopvatting.

Ook hier was hij een toeschouwer die blijkbaar niet de indruk had dat hij aan de loop van de gebeurtenissen iets kon veranderen. Bijvoorbeeld toen Wilhelmina en Hendrik, haar aanstaande, in 1900 ""voor een halven dag' Den Haag bezochten stond hij op de uitkijk. ""Ik stond in het Voorhout om de stemming der bevolking te kunnen waarnemen. Voor een Hollandsch publiek veel geestdrift. Er werd nog al gejuicht.'

De Beaufort overleed in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog. Door gebrekkige gezondheid zag hij zich op het laatst een enkele maal gedwongen per automobiel van Den Haag naar Den Treek te reizen. Bovendien was hij door ziekte en door de oorlogsomstandigheden enige tijd aan huis gekluisterd. Daarmee verloor hij zijn bron van informatie. In het kleine Nederland van zijn dagen ontmoette hij voortdurend interessante gesprekspartners in de trein. Iedereen die meetelde zat in de duurste klasse en auto's waren nog ongebruikelijk, zodat men maar per trein tussen Utrecht, Den Haag en Amsterdam behoefde heen en weer te reizen om op den duur wie men wilde tegen te komen.

Nu zat hij thuis. Een opmerking uit augustus 1917 tekent de malaise. ""Mijn dokter hier had den burgemeester van Hoogland gesproken die iemand had gesproken die den minister Loudon had gesproken die gezegd had dat hij wel dacht dat de oorlog vóór den winter zoude geëindigd zijn.' De aantekeningen van de laatste oorlogsjaren zijn niet de interessantste. De wereld waarin De Beaufort zich thuis voelde, verdween.