Oude vrienden

"Er is veel genoegen te beleven aan het zien doorbreken van je planten tijdens de saaie winterse dagen.' Ik heb het gevoel dat E.A. Bowles meer tijd omhanden had voor zijn tuin dan ik voor de mijne; in elk geval is het zeker dat ik dit nooit heb zien gebeuren. Zomin als ik, tot mijn spijt, ooit het volgende verschijnsel heb mogen zien: ""...de grote aardverschuivingen en -opensplijtingen die voorafgaan aan de verschijning van een werkelijk sterke Eremurus elwesianus; deze plantaardige imitatie van een gepocheerd ei in de border is mij heel wat dierbaarder dan het zien oprijzen van enige Venus uit de zee.''

Helemaal mee eens. En hoewel geen van mijn planten ook maar de geringste gelijkenis vertoont met een gepocheerd ei, ben ook ik van mening dat dit niet het minst opwindende seizoen in de tuin is. De vaste planten zijn bezig hun superioriteit te demonstreren ten opzichte van heesters en groenblijvers; hun eerste miniatuurblaadjes, als zij na de winter hun verschijning maken, zijn mooier dan enig "winterloof', zoals de saaie buxus en de slome taxus die er het hele jaar lang hetzelfde uitzien. Sommige geraniums beginnen al heel vroeg: Geranium himalayense is al bezig zijn territorium af te bakenen met frisgroen roodgerand blad en ook de Japanse anemonen zijn begonnen poppenhuisblaadjes te vormen. De acanthus heeft een andere strategie: hij lijkt een transistorversie van zichzelf te hebben gefabriceerd, bestaande uit geminiaturiseerde blaadjes, dicht tegen elkaar aangekropen voor de warmte en zonder enige zichtbare stengel.

Dit zijn de oude bekenden, je weet waar je kijken moet om ze te vinden en je heet ze hartelijk welkom; verder zijn er de absent friends, weer een ander probleem, maar er is ook nog een andere interessante categorie: de nieuwe bolgewassen. Zelfs als zij laat werden geplant is er sindsdien veel tijd verlopen, meer dan genoeg om vergeten te zijn waar ze precies staan. Ik was onthutst toen ik vandaag midden in een van de bloembedden een enorme opzwelling ontdekte: niet een gepocheerd ei maar meer een gepocheerde periscoop, roestkleurig en schilferig.

Mijn eerste gedachte was dat het een gruwelijke indringer was uit de tuin van de buren, een monster-onkruid, waarvan de gezwollen paarsbruine verkenners onder de muur door waren gekropen om de invasie van mijn bloembed voor te bereiden. Maar gelukkig verdwijnen zulke waanzinnige gedachten weer even snel uit het brein als ze er in zijn gekomen: het volgende beeld dat nog even voor het geestesoog verrees behelsde een lelie die op een of andere manier vanaf zijn standplaats een drie meter lange tunnel had gegraven, voor het tot me doordrong dat ik het toch zelf was geweest die verkozen had daar mijn ene Keizerskroon te plaatsen. Het was een onmatig grote bol en nogal duur; ik had hem dan ook in een dierenwinkel gekocht. De aanblik van de loot bracht ook in mijn herinnering terug dat ik de bol zorgvuldig op zijn zij had geplant, zoals het advies luidt, en dat die loot dus een ondergrondse rechte hoek moest hebben gemaakt in haar streven hemelwaarts.

Het zoekraken van de Bollenplattegrond van vorige herfst - waarop een aantal bollen voorkwam die ik nooit in werkelijkheid heb zien bloeien - zal dus ook nog tot verrassingen leiden. Ik zie reikhalzend naar ze uit; het is alsof je een nieuwe tuin had betrokken en wachtte op wat er allemaal zou opkomen. Nu al zijn er aan de andere kant van de tuin een paar geheimzinnige bladeren verschenen; het moeten tulpen zijn, maar ik kan me niet herinneren welke. Een ander voordeel van het zoekraken van de plattegrond is dat ik niet zal rouwen over wat niet opkomt.

De Crocus tomasinianus bloeien; ze zijn mooi maar wanordelijk en behept met omvalneigingen. De gewone crocussen, die al in de tuin waren voor we kwamen, staan stram in het gelid als een regiment. Om Mr Bowles nog eens te citeren: ""Het is wonderbaarlijk hoeveel kracht er schuilt in de groeiende loot van een Crocus. Ze trekken zich niets aan van een hard, goed aangerold tuinpad.'' Bij mij gaan er zelfs enkele dwars door 't laatst overgebleven asfaltpad heen. Ze bevinden zich op aanzienlijke afstand van de hoofdmacht en zien er wat zonderling uit daar in hun eentje, na die ongelofelijke krachtsinspanning - eenlingen ten prooi aan een illusie, zoals die Japanse soldaten in de jungle die niet wisten dat de oorlog allang was afgelopen. Maar voor hen geen heldenwelkom: telkens als ik bijna op ze trap, denk ik dat ze eigenlijk verplaatst zouden moeten worden.

Maar zelfs het doorboren van asfalt is kinderspel vergeleken bij de moeilijkheden die bosanemonen zichzelf op de hals halen. Ze komen uit de aarde zoals een ober die zich achterwaarts door een paar klapdeuren duwt: ruggelings. Eerst zie je een stukje stengel verschijnen, beide einden nog in de grond als een boogje voor het croquetspel; dan schiet het eind met de bloemknop los, een klein pakketje bladeren onthullend waarvan je verwacht dat het zich zal schudden zoals een hond die uit het water komt.

Het prachtigste in onze tuin op 't ogenblik is een ander gevolg van vergeetachtigheid. Oudere lezers van deze rubriek herinneren zich wellicht dat ik eens geschreven heb over muurbloemzaden die ik vergeten had te zaaien - dat was lang geleden, in 1990. Ze werden tenslotte gezaaid in 1991 en zouden het volgende jaar hebben moeten bloeien maar moesten in potten blijven staan omdat hun bed nog niet klaar was. Pas vorig jaar werden ze uitgeplant en ze zijn nu uitgegroeid tot grote, slordige oerwoudachtige dingen, geteisterd door meer winden dan hun deel had moeten zijn en ouder dan Methusalem (als een hondejaar telt voor zeven, moet een tweejarigenjaar gelijk zijn aan 35). Maar hun odyssee nadert nu haar einde: ze zijn volkomen bedekt met bloemknoppen. En dan is hun bewogen leven al weer haast voorbij: ik zal ze missen, ze zijn werkelijk oude vrienden geworden.