NAVO

Jan Hoffenaar schrijft in het Boekenbijvoegsel van 20-2-'93, dat minister Stikker woest was over het onverdedigd achterlaten van Noord- en Oost-Nederland bij een Sovjet-aanval. Hij zou daarom in september 1950 op een Duitse bijdrage aan de Atlantische defensie hebben aangedrongen, om zo geheel Nederland te beschermen.

Hoewel het juist is dat Nederland pas in zijn geheel door het Westen verdedigd kon worden via een Duitse deelname, wordt door Hoffenaars formulering de werkelijke gang van zaken enigszins geweld aangedaan. Stikker was niet "woest' bij het aanhoren van de defensieplannen in september 1950. Hij was al jaren op de hoogte van de door de geallieerden voorgestelde defensielijn. Den Haag had in het najaar van 1948 met veel moeite weten te bewerkstelligen dat de Westeuropese verdediging langs deze lijn, en niet langs de voor Nederland nog ongunstigere Rijn-Maaslinie zou lopen.

Nederland was nog niet echt tevreden met de situatie, maar kon hier weinig tegen in brengen zolang Amerika (dat een politieke crisis met het anti-Duitse Frankrijk vreesde) geen verdere oostwaarts gelegen verdediging toestond. Pas na het uitbreken van de Koreaanse oorlog veranderde dit, daar Parijs te kennen gaf akkoord te gaan met een wat meer oostwaartse verdediging. Aan de vooravond van de NAVO-top in New York op 14 september 1950, vroegen de Amerikanen Stikker om een Duitse bijdrage aan de verdediging van Europa aan de orde te stellen. Het Witte Huis hoopte zo de kleinere NAVO-partners achter het voorstel van Duitse herbewapening te krijgen, om zodoende Parijs onder druk te zetten.

Het was daarom geenszins een "woeste' Stikker die in september 1950 zijn NAVO-collega's toesprak, maar eerder een kalme bewindsman die binnen een Amerikaans plan een voor Nederland reeds langlopende kwestie tot een goed einde probeerde te brengen.

Naschrift Jan Hoffenaar:

De heer Van der Peet geeft een juist beeld van de totstandkoming van de Rijn-IJssellinie in 1948. Er is echter één probleem. Stikker schrijft in zijn memoires (1966): ""Toen ik in 1950 voor het eerst een blik wierp op het geallieerde verdedigingsplan voor Midden-Europa, was ik diep geschokt.'' Vervolgens speelde hij gretig het door Van der Peet aangehaalde een-tweetje met Acheson. In een interview met Edward Fursdon, die het voorval in het door mij gerecenseerde boek aanhaalt, gaf Stikker in 1976 dezelfde lezing. Hij was, in de woorden van Fursdon, "incensed', hetgeen ik vrij en krachtig heb vertaald in "woest'. Of Stikkers herinneringen kloppen niet helemaal, òf het was zo dat de consequenties van de verdedigingsplannen, die hij vanaf 1948 ongetwijfeld in zeer grote lijnen heeft gekend, pas goed tot hem doordrongen na het uitbreken van de Korea-oorlog.