LUISTERVINKJE MITTERRAND

La part d'ombre door Edwy Plenel 456 blz., Stock 1992, f 58,90 ISBN 2234 024 978

In 1974, kort nadat Valéry Giscard d'Estaing tot president van de republiek was gekozen, stelde François Mitterrand vast dat zijn telefoon werd afgeluisterd. ""Mijn muren zijn gekruid met microfoons', schreef hij destijds woedend in het boek Politique (Fayard). Vier jaar eerder - hij was toen gewoon député - had het toekomstige Franse staatshoofd het ""grote schandaal' van het ""telefonisch afluisteren van leden van de oppositie en vakbonden' gelaakt. Hartstochtelijk bepleitte hij bestraffing van de politiek verantwoordelijke minister.

Nu, in het twaalfde jaar van Miterrands presidentschap, zijn de rollen omgedraaid. Het dagblad Libération publiceerde vorige week documenten waaruit blijkt dat de journalist Edwy Plenel van het dagblad Le Monde, een specialist in het onderzoeken van "affaires', in 1986 ten ministe twee maanden lang telefonisch werd afgeluisterd.

Bij monde van Pierre Chassigneux, Mitterands kabinetschef die eerder directeur was van de inlichtingendienst van de nationale politie (Ren-seigenements généraux), ontkende het Elysée onmiddellijk dat dit was gebeurd in opdracht van de president. Zo zou de fameuze "anti-terrorisme-cel' die vanaf 1981 in het presidentiële paleis opereerde, er niets mee van doen te hebben. Het moet om een "wilde actie' zijn gegaan, verklaarde Chassigneux tegenover Plenel. Alle documentatie over het afluisteren is helaas verdwenen, voegde hij eraan toe.

Dat Plenel en andere journalisten, zoals Véronique Brocard van Libération, werden afgeluisterd, is geen verrassing, wel dat het bewijs nu geleverd is. Plenel en Le Monde hebben een formele klacht bij justitie ingediend, en wellicht zullen enkele doofpotten worden geopend als de huidige rechtse oppositie na de komende parlementsverkiezingen aan de macht komt. Het geheime gewroet van de ""bewakers van de kardinaal' (zoals de politiemannen op het Elysée werden genoemd) is volgens de Monde-journalist symbolisch voor het morele failliet van het "mitterrandisme'. Hij komt tot die conclusie in zijn recent verschenen boek La part d'ombre, waarin hij zijn ervaringen met het machtige staatsapparaat beschrijft gedurende tien jaar "onderzoeksjournalistiek'.

VEEL TAM TAM

Waar ging het nu om bij dit afluisterschandaal, dat Mitterrand ongetwijfeld nog lange tijd zal achtervolgen? Het begon ruim een jaar nadat hij in 1981 tot president was verkozen, met het schandaal van de "Ieren van Vincennes'. Destijds werden drie "terroristen' die leden van een dissidente IRA-vleugel heetten te zijn, met veel tam tam gearresteerd door een "anti-terroristische cel' op het Elysée waarvan niemand het bestaan wist. Deze cel bestond uit drie hoge politiefunctionarissen, commandant Christian Prouteau, de chef van de elite-eenheid GIGN (Groupe d'intervention de la gendarmerie nationale), diens adjunct, kapitein Paul Barril, en commandant Jean-Michel Beau.

De drie geheime musketiers opereerden onder toezicht van Gilles Menage, die in 1981 als "technisch adviseur' aan Mitterrands persoonlijke staf werd verbonden. In 1988 werd Menage, de "man in de schaduw', kabinetschef van de president. Hij trad in 1992 af en is sinds juli vorig jaar directeur van Electricité de France, een grote staatsonderneming.

De affaire van de "Ieren van Vincennes' werd vanaf het begin gekenmerkt door allerlei fouten, intimidaties, en bedriegerijen. De drie "terroristen' bleken al snel in het geheel niet gevaarlijk, en moesten in vrijheid worden gesteld. De "anti-terroristische cel' van Mitterrand kreeg het hard te verduren. De drie politie-officieren op het Elysée, die telefoons lieten afluisteren (onder andere van de Franse advocaat van de Ieren), werden vervolgd wegens bedreiging van getuigen. Commandant Beau, die zich als een slachtoffer van duistere machinaties beschouwt, legde in een boek met de titel De eer van een gendarme uit dat hij werd "opgeofferd'. Niettemin werden Beau en Prouteau beiden in september 1991 veroordeeld tot vijftien maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

President Mitterrand vergeet zijn vrienden echter niet. Slechts drie maanden nadat het vonnis was uitgesproken, werd de straf van Beau verminderd tot twaalf maanden voorwaardelijk. Hij moest de gendarmerie verlaten nadat hij tot luitenant-kolonel was bevorderd. Kapitein Barril tegen wie nog een onderzoek gaande is, werd discreet overgeplaatst. Maar hun chef Prouteau kreeg gewoon gratie, werd tot prefect benoemd en belast met de veiligheid rond de Olympische Winterspelen vorig jaar in Albertville. Prouteau, ooit door Mitterrand geprezen als een ""volkomen eerlijke man' werd onlangs officier in het Légion d'Honneur. Hij houdt zich nu bezig met de veiligheid rond het wereldkampioenschap voetbal die in 1994 in Frankrijk wordt gespeeld.

"VEILIGHEIDINTERCEPTIES'

Pas in 1991, tien jaar na het aantreden van Mitterrand als president en na een half dozijn kwalijke affaires, waarvan die van de Ieren van Vincennes de eerste was, kreeg Frankrijk een wet die het ""geheim van correspondenties via de wegen van de telecommunicatie' beschermt. Het afluisteren van telefoons - in de wet "veiligheidsintercepties' genoemd - is streng gereglementeerd. De afluisterapparaten in het ondergrondse centrum van de Invalides, in het hart van Parijs, draaien - op verzoek van de talrijke Franse politie- en inlichtingendiensten - overigens nog volop, maar daarover wordt nu jaarlijks tenminste een verslag uitgebracht.

La part d'ombre van Plenel zegt meer over de duistere macht van de staat dan over het incident over het afluisteren van zijn telefoon in 1986, dat nu - er is een verkiezingscampagne gaande - veel (gespeelde) verontwaardiging bij politici heeft uitgelokt. Zo beschrijft Plenel hoe hij in 1990 zijn geliefde kat Shadow kwijt raakte: toen hij afwezig was, werd zijn Parijse woning doorzocht door agenten van de Franse contra-spionagedienst (DPSD) en het dier ontsnapte. En dat terwijl huisdieren die er van tussen glippen de "grote obsessie' zijn van de DPSD-mannen die doorgaans niet het geringste spoor achterlaten.

Plenel is na zijn kennismaking met het reëel bestaande mitterrandisme een teleurgesteld man. Hij groeide op in een familie die het gaullisme beleefde ""zoals Mitterrand het destijds beschreef, als een politieregime'. Die overtuiging kostte zijn vader zijn carrière, mede omdat zijn moeder, zoals de politie-inlichtengendienst met bespottelijke ijver noteerde, ""een rode jurk' droeg tijdens een officiële reis van generaal De Gaulle.

Als ""naëve socialistische kiezer' in 1981 en 1988 geloofde Plenel dat links aan de illegale praktijken van de politie en de andere machtsapparaten van de staat een einde zou maken. Hij heeft zijn geloof verloren omdat het "mitterandisme' dezelfde schaduwzijde heeft, die van de parallelle polities, de macht van het geld en de "raison d'état'. Plenel: ""De identificatie van links met het mitterrandisme is de gegarandeerde weg naar zijn ondergang.'

Plenels overzicht van de "affaires', zoals die van de "Ieren van Vincennes', is instructief maar biedt de regelmatige lezer van Franse kranten nauwelijks nieuws. Anderen zijn hem scherper en indringender voorgegaan in hun afrekening met het mitterrandisme ""dat een einde is en geen begin'. Plenel sluit zijn boek af met een kleine lofzang op zijn eigen vak. In een wereld waarin steeds meer informatie wordt geproduceerd en gecontroleerd, aangeboden en voorbereid door degenen die daarvan het onderwerp zijn, is ""datgene wat men incorrect onderzoeksjournalistiek noemt, niets anders dan de nostalgie naar de journalistiek tout court', schrijft hij.