Lood om oud ijzer

DE MESTSTOFFENWET van 1987 voerde een mestquotum in voor veehouderijen. Daarboven mag niet worden uitgebreid. In 1990 moest de Algemene Rekenkamer echter vaststellen dat de referentiehoeveelheden op zo'n manier waren vastgesteld dat ze door de bank genomen 15 procent boven de werkelijke productie lagen. Door deze latente productieruimte te laten stelde de wet veehouders in staat ongestraft met 15 procent uit te breiden in plaats van de mestproductie te stabiliseren, zoals de bedoeling was.

Deze geschiedenis bevat een duidelijke les ten aanzien van de noodwet waarover het kabinet gisteren tenslotte de knoop doorhakte. Deze moet de achterstanden op het gebied van de Hinderwet regulariseren. Daarbij wordt de beoordeling van veehouderijbedrijven losgekoppeld van de algemene verzuring van de omgeving (het zogeheten achtergronddeposito), zoals de Raad van State had beslist in de test-case die aanleiding vormde voor een ware boerenopstand. Weliswaar impliceert de gekozen peildatum van 1986 door de bank genomen een teruggang, maar het wetje sluit uitbreiding van bedrijven op individuele basis niet uit. Dat is het verkeerde signaal. Daartegenover staat dan alleen een open verplichting binnen vijf jaar te komen tot de “laagst mogelijke” uitstoot die “in redelijkheid” kan worden gevergd. Wat dat inhoudt is de uitkomst van overleg tussen veehouders en de betrokken gemeenten.

HET “TWEESPORENBELEID” van legalisering en reductie is een reactie op een jarenlang gedoogbeleid. Dat laat zich niet zomaar ombuigen. Het gedogen wordt nu echter alleen maar vervangen door een onbestemde norm en overgelaten aan de gemeenten die de zaak nu juist hebben laten versloffen. Weliswaar heeft de veehouderij met het Rijk een convenant gesloten om de inrichting van “groene label” (emissie-arme) stallen te bevorderen, maar een convenant kan de bestaande milieuwetten niet opzijzetten. Een noodwet doet dat wel en komt daardoor neer op lood om oud ijzer.

Het mestprobleem is bovendien niet louter een aangelegenheid tussen veehouders en overheid. Er zijn belangrijke andere medespelers zoals (Rabo)banken, veevoederbedrijven, mestverwerkers en afnemers van eieren of vlees. Dit maakt dat de kwestie niet kan worden overgelaten aan een bilateraaltje tussen veehouders en gemeenten, nog afgezien van de rechtsongelijkheid die de aanwezigheid van een “boerenwethouder” meer of minder kan meebrengen. Het minste is dat het Rijk de regulariseringsperiode benut om de economische prikkels voor een gezonde mineralenbalans drastisch te verbeteren. En dan niet als een open proces maar als een taakstellende opdracht.