INGENIEURS

Engineering and the Mind's Eye door Eugene S. Ferguson 241 blz., gell., The MIT Press 1992, f 55,40 ISBN 0 262 06147 3

In 1978 bezweek in de Amerikaanse stad Hartford het dak van het gloednieuwe basketballstadion onder het gewicht van een bescheiden laag sneeuw. De hypermoderne draagconstructie, bestaande uit een ingewikkeld ruimtelijk frame van gekoppelde buizen, was ontworpen met de computer.

In zijn boek Engineering and the Mind's Eye haalt Eugene Ferguson, emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de technologie aan de universiteit van Delaware, het voorval aan in zijn pleidooi voor een intutief ingestelde, in de praktijk geschoolde ingenieur met maatgevoel. ""De principes van het ingenieursvak', zo schrijft hij ""zijn eenvoudig niet volledig expliciet te maken, hoezeer de promotors van wetenschappelijke ontwerpen ook mogen denken dat in computerprogramma's voor algemeen gebruik de afweging van de ingenieur kan worden ingebouwd.'

Computerprogramma's, stelt Ferguson, bieden schijnzekerheid. In zo'n programma zit altijd een aantal vooronderstellingen die de uitkomsten sterk benvloeden. Die heeft de programmeur, hopelijk naar beste weten, gemaakt en de gebruiker heeft er blind op gevaren. Vroeger dwongen de beperkte mogelijkheden van de rekenlineaal de ingenieur tot verantwoord afschatten. Studenten van nu zijn al geneigd computer-aided design (CAD) te interpreteren als computer-automated design. Ferguson laakt de afkeer van academisch geschoolde technici voor de niet-analytische aspecten van een ontwerpprobleem: ""Als er maar getallen uitkomen, dan is het goed.'

Het aardige van The Mind's Eye is het historische perspectief waarbinnen de crisis van het huidige ingenieursberoep wordt bezien. In de tijd van Leonardo da Vinci was het onderscheid tussen kunstenaar en ontwerper vaak afwezig. Men was toen veel visueler ingesteld en had meer voeling met de praktijk. Voordat de architect van de kathedraal van Florence in 1418 met de bouw mocht beginnen werd eerst een schaalmodel van de gewaagde koepelconstructie gemaakt van zo'n vijf meter in diameter. In de tijd van Lodewijk XIV maakte men modellen van complete vestingsteden. Maar sinds de Industriële Revolutie noemt de ingenieur zich omwille van de status liever wetenschapper. Kunstenaars zijn marginaal, soft, grillig, misschien wel nutteloos. En uitvoerders zijn er om op neer te zien.

Het ongeluk met het dak van het Hartford Coliseum staat niet op zich. Het drama met de space-shuttle Challenger, het per abuis neerschieten van een Iraans verkeersvliegtuig vanaf de Amerikaanse kruiser Vincennes in 1988: het zijn slechts de meest dramatische voorbeelden van de kloof die er soms gaapt tussen de door ingenieurs beloofde en de feitelijk waargemaakte prestaties van complexe technische systemen. De Vincennes was uitgerust met Aegis, een ultra modern luchtverdedigingssysteem van een miljard dollar (en het prototype voor SDI ofwel Star Wars). Het neerschieten van het Iraanse toestel werd na ampel onderzoek aangemerkt als een "operator-error', aan de techniek mankeerde niets. Ferguson denkt daar anders over: ""Hoogmoed en een gebrek aan gezond ontwerpersverstand schiepen de voorwaarden die tot verwarrende, overgecompliceerde eisen leidden die de technologie aan de operator stelde. Menselijke beperkingen moeten doelbewust in het ontwerp worden ingebouwd, in plaats van ze er gemakshalve buiten te houden.'

Is de Nederlandse ingenieur beter? Een Amerikaanse onderzoekscommissie oordeelde in 1980 van ja. In Nederland was wel ruimte om ook de praktijk van het ingenieursvak te onderwijzen. Zou dat in deze tijd van verkorte cursusduur nog van toepassing zijn? Ook het hechte contact in Nederland tussen de technische universiteiten en de industrie, blijkend uit hoogleraarsbenoemingen, werd geroemd. Ferguson zou nu graag zien dat dit alles er toe bijdroeg dat de aankomende ingenieur zich eerder kunstenaar voelt dan wetenschapper.