Historicus als zelfbeschouwer

Na zijn vijftigste draaide de Engelse historicus A.J.P. Taylor zijn hand er niet voor om jaarlijks een boek te schrijven en elke week een essayistische boekbespreking in The Observer af te leveren.

Tussendoor beoefende hij daarbij nog enkele andere journalistieke genres, die hij niet zelden nog combineerde met het houden van lezingen (meestal met een academisch prestige) en voordrachten of televisiecolleges. In An Old Man's Diary (1984), dat het einde van zijn demonische produktiviteit op het terrein van de diplomatieke geschiedenis markeerde, stelde hij zich de wezensvraag die elke historicus zich bij het schrijven van memoires zou moeten stellen. Heb ik wel zoveel over mijzelf mee te delen dat ik mijn lezers daarmee mag lastigvallen? Hoewel hij die vraag niet expliciet beantwoordde, was het duidelijk genoeg dat hij het persoonlijke gedenkschrift geen genre voor de historicus vond: die moest zich bij zijn "leest' houden en zich tot het beschrijven en interpreteren van de geschiedenis beperken. Met die maatstaf heb ik de deze week verschenen Herinneringen van dr. L. de Jong (die Gerard Mulder in de Boekenbijlage van vandaag bespreekt) gelezen. Op grond van de kwaliteit van het eerste deel ben ik geneigd te denken dat het in het respectabele oeuvre van De Jong een boek te veel is. Het mist de stilistische scherpte en de compositorische kwaliteit van de 12 delen van de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog en het bevat te veel alledaagse persoonlijke bijzonderheden die de moeite van het vermelden niet waard zijn.

Dat De Jongs Old Man's Diary weinig verschil vertoont met het laatste werk van van de Engelse meesterverteller is een ironische overeenkomst die niet voor het boek pleit. Taylor hield zich ten slotte zelf niet aan zijn beginsel, want hij gaf zich in zijn laatste boek over aan pathetisch zelfbeklag over de ongemakken van de oude dag. Bij iemand die een oeuvre van bijna veertig boeken heeft voortgebracht, waaronder enige meesterwerken, mag men zo'n inconsequentie wel door de vingers zien; in dit geval dan ook bij De Jong. Maar dat doet aan de geldigheid van het principe niets af. Bij het schrijven van zijn wekelijkse Diaries in The Listener moest Taylor vaak denken aan zijn zeventiende-eeuwse voorganger Samuel Pepys, die negen jaar achtereen werkte aan zijn lijvige dagboek en intussen administratief leiding gaf aan de Engelse Admiraliteit. Taylors grootste probleem was dat hij, in tegenstelling tot de avontuurlijke Pepys, "nooit iets meemaakte'. Voor De Jong heeft dat probleem, althans in de beschreven periode (tot het einde van de Tweede Wereldoorlog), eveneens gegolden. In Londen, waar hij de oorlogsjaren doorbracht in de kring van de Nederlandse regering in ballingschap, leidde hij met de dagelijkse bombardementen op de Britse hoofdstad, een enerverend bestaan, maar als redacteur en nieuwslezer van Radio Oranje volgde hij de oorlog als waarnemer, niet als een Pepysiaanse hoofdrolspeler.

De Jongs belevenissen in Londen zijn zoals we van hem gewend zijn goed geschreven, maar materieel niet interessanter dan de vlakke en kleurloze Londense geschriften van de Nederlandse ministers in oorlogstijd Van Kleffens en Van de Tempel. Vergeleken met de Londense oorlogsdagboeken van Kingsley Martin, de hoofdredacteur van The New Statesman en de journalist-politicus Harold Nicolson, of van De Jongs Nederlandse collega bij Radio Oranje Den Doolaard, die alle drie een onovertroffen beeld van een democratie in oorlogstijd geven, is De Jongs behandeling van zijn persoonlijke geschiedenis in Londen, nogal vlak. Dat is jammer, want over de Londense ballingschap van de Nederlandse regering in de Tweede Wereldoorlog is nog lang niet alles gezegd.

Er is vrijwel niemand van enige betekenis uit het toenmalige Nederlandse regeringsapparaat die zijn Londense belevenissen niet te boek heeft gesteld, maar desondanks bestaat er hoegenaamd geen literatuur over die periode, waarin een Nederlandse waarnemer uit die periode zich boven het Nederlandse provincialisme verheft en de gebeurtenissen uit een ruimer gezichtspunt beschrijft. Ook De Jong, die als journalist toch gewoon was over de internationale horizon te kijken, heeft meer oog voor zijn Nederlandse milieu in Londen dan voor het Engelse.

Uit niets blijkt of hij in het Lagerhuiskwam en in het centrum van de enige op dat moment volledig intact gebleven Europese parlementaire democratie de ontwikkelingen op de voet volgde. Het is een merkwaardige beperking in de opzet van een historisch gedenkschrift (dat geldt ook voor De Jongs grote reeks) dat een auteur niet alleen voorbijgaat aan de publieke debatten in het parlement tussen de oppositie en de regering, maar ook de psychologische betekenis van Churchills toespraken, die het zwaar beproefde moreel van de Engelse bevolking overeind hielden. De Engelse omgeving komt ook in De Jongs Londense geschriften zo onvoldoende tot leven dat het lijkt alsof de Nederlandse regering en de daar verblijvende Nederlandse kolonie vier jaar lang geen Engelsman tegenkwamen. Tegenover de duizenden boeken van Britse auteurs waarin de geest van de onbreekbare Britse democratie in de jaren '40-'45 wordt beschreven, staan slechts enkele bladzijden van Nederlandse hand. Taylor noemt die episode in de geschiedenis van zijn land een hoogtepunt waarin “patriottisme en sociaal idealisme als nooit tevoren samengingen”. Hoe daaruit het politieke concept van de verzorgingsstaat tevoorschijn kwam, komt ook bij De Jong niet uit de verf.

Op het punt van de politieke ideeëngeschiedenis is de historicus De Jong in zijn tweede deel (waarnaar wij, naar hij van de week op een persconferentie veronderstelde, "ongetwijfeld vol verwachting' uitzien) nog het een en ander aan zijn grote schare lezers verplicht. Welke invloed heeft de aanraking met de Britse democratie in oorlogstijd op zijn vorming tot historicus gehad? Hadden zijn voordien in Nederland gevormde staatkundige denkbeelden geleden onder de democratische malaise die de jaren dertig beheerste? Was hij in de beoordeling van de Duitse oorlogskracht volkomen immuun gebleven voor het defaitisme, dat niet alleen de aanhangers van de autoritaire democratie in Nederland maar ook verlichte kringen had aangestoken? Die vragen zijn relevant voor een geschiedschrijver die werkt overeenkomstig de wet van Trevelyan, volgens wie een historicus alleen over zichzelf mag schrijven voorzover het gaat over de intellectuele invloeden die hij bij het schrijven van zijn boeken ondergaat (G.M. Trevelyan, An Autobiography, London, 1949).