Het antwoordapparaat

Ieder apparaat is op den duur de oorzaak van een aantal handelingen die met de functie van het apparaat in strikte zin niets te maken hebben; ieder apparaat genereert zijn eigen "cultuur' zou ik zeggen als ik wetenschapper was.

Neem de bril als die wordt gebruikt om er niet door maar juist overheen te kijken, om een poot in de mond te steken, op het voorhoofd te zetten. Wie wordt getroffen door de blik van iemand die over zijn bril heen kijkt, wordt anders getroffen dan wanneer hij zou worden aangekeken met dezelfde ogen zonder bril. Of een heel ander voorbeeld: de auto. Die heeft een eigen gebarentaal doen ontstaan. Daartoe horen het vernieuwde tikken op het voorhoofd, het opsteken van een middelvinger, alle varianten in het sluiten van de deur, het "dichtslaan van het portier', het gebruik van de linker elleboog als het mooi weer is, enz. De auto is niet alleen vervoermiddel maar ook een medium waarmee je kunt laten weten wat je van andere mensen en desnoods de wereld denkt. Op een andere manier geldt dat ook voor de walkman die het eenzelvig genietend kijken in het openbaar vervoer mogelijk maakt. De autotelefoon, daar hoeven we geen woord aan toe te voegen.

Nu zie je meer en meer mensen met een draagbare telefoon: lopend op straat praten, ik heb er al een zien fietsen, op een bank in het park zien kletsen - het blijft een eigenaardig gezicht. Afgezien daarvan is het de volgende stap naar de absolute prioriteit van de telefonerende mens. Ik zat in een café vredig te praten met een zakenman die zijn telefoon naast zijn kopje koffie had gelegd. Het ding - rinkelen kon je het niet noemen - krekelde. De man werd een ander wezen, begon ook nog Engels te spreken, zijn aanwezigheid breidde zich uit tot de hele ruimte en ik had het gevoel dat ik was opgeheven. Niet dat ik daar iets tegen had; ik probeer dat wel meer voor een poosje, maar dan op eigen initiatief. Intussen zijn er ook al cafés en restaurants waar je behalve dat je er de medegebrachte eetwaren niet mag opeten, ook niet in je eigen telefoon mag praten. Het lijkt me in strijd met artikel zeven van de Grondwet.

Nu kom ik tot m'n eigenlijke onderwerp: het antwoordapparaat. De bedoeling daarvan is natuurlijk dat we zullen weten wie er heeft gebeld als we niet thuis zijn. Je hebt mensen die op het geluidsbandje zich met een originele of leuke tekst melden, maar dat proberen ze in het dagelijks leven ook al. Het apparaat voegt dus niets nieuws toe; in dit opzicht bevestigt het alleen in geconcentreerde vorm wat ons in de gewone omgang maar al te vaak duidelijk was geworden. Ik hoorde trouwens dat er voorgesproken meldingen te koop zijn waarop het werk wordt gedaan door Nederlanders die bekend zijn om hun leuk zijn. Zo wordt mijn stelling dat ieder apparaat zijn eigen cultuur genereert op een wel heel onverwachte manier bevestigd.

Intussen laat het antwoordapparaat dat moet dienen om de wereld van de communicatie uit te breiden zich ook gebruiken als verdedigingswapen. Het is nu eenmaal zo dat degene die belt dat meestal doet op een tijdstip dat weliswaar hem, of haar natuurlijk, zeer logisch en voor de hand liggend voorkomt maar dat door de ander als volstrekt willekeurig wordt ervaren. In die zin is "opbellen' altijd, met welke bedoelingen dan ook, een vorm van agressie. Het antwoordapparaat maakt het mogelijk, iemand even op sterk water te zetten. Zoiets zou je ook nog voor de niet-telefonerende mens moeten uitvinden.

En nu het nadeel. Mensen bellen op, horen de stem op het bandje en leggen meteen weer hun hoorn op hun haak. Waarom? Is het in het bijzonder Nederlands? Schrikt de opbeller dusdanig van het vooruitzicht dat hij zijn stem tegen louter een microfoon zal moeten verheffen dat hij plankenkoorts krijgt? Staat hij met zijn mond vol tanden? Maakt hij zich kwaad over de confrontatie met een apparaat waar hij een mens had verwacht? Is hij eenvoudig, op een manier die hij zelf nog niet begrijpt, een boerenkinkel? Nederlanders hebben over het algemeen een slecht ontwikkeld oratorisch vermogen, maar je zou zeggen dat één zinnetje in de intimiteit van de eigen huiskamer of desnoods een telefooncel er wel uit kan. Het is voor de ontvangende kant ook stomvervelend om dit woord eens in zijn eigenlijkste betekenis te gebruiken. Het staat gelijk met het krijgen van een anonieme brief. Dergelijke post heeft iets terroriserends. Hoewel je kunt vermoeden dat een beller die niet in een antwoordapparaat spreekt, dat met andere bedoelingen nalaat dan iemand die zijn naam niet onder een brief zet, overheerst ook door de telefoon het effect van de anonimiteit.

Mij dunkt dat de "cultuur' van het antwoordapparaat het volgende eist. De opbeller die goede bedoelingen heeft, meldt zich met duidelijke stem, noemt zijn naam, dag en uur waarop hij zijn initiatief heeft genomen, spreekt eventueel een groet en hangt op. Misschien moet hij zich daarvoor eerst even oefenen. De opbeller met kwade bedoelingen laat, nadat het antwoordapparaat zich heeft gemeld, tien tot vijftien seconden een doodse stilte heersen, gaat daarna wat hijgen of spreekt met verdraaide stem zijn invectieven in, of laat dat iemand anders doen als hij zelf niet goed in het verdraaien is. Zo weet iedereen weer waar hij aan toe is.