Gemeente bepaalt "redelijke' mate van ammoniak-uitstoot

DEN HAAG, 13 MAART. Gemeenten gaan bepalen in welke mate veehouders die nog geen of een onvolledige hinderwetvergunning hebben, de uitstoot van ammoniak moeten terugdringen. Veehouders dienen de uitstoot binnen vijf jaar zover terug te dringen als redelijkerwijs mogelijk is.

Dit blijkt uit de noodwet voor de veehouderij waarover het kabinet gisteren een beslissing heeft genomen. De "interimwet ammoniak en veehouderij', inmiddels voor advies naar de Raad van State gestuurd, is bedoeld om zo'n 5.000 veehouderijen te legaliseren.

Bij het alsnog verkrijgen van de vergunning wordt uitgegaan van de ammoniak-uitstoot van het aantal dieren dat een veehouder in 1986 had. Er is niet gekozen voor een eerder jaar, om rechtsongelijkheid met veehouders die zich wel aan de regels hebben gehouden te voorkomen. Aanvankelijk wilde minister Alders (milieu) uitgaan van 1981 als peiljaar, maar dat stuitte op verzet van onder anderen minister Bukman (landbouw), boerenorganisaties en de CDA-fractie in de Tweede Kamer. In 1986 was de veestapel voor het eerst goed geregistreerd.

Directe aanleiding voor de noodwet is een uitspraak van de Raad van State, in januari, die hinderwetvergunningen vernietigde van veehouders in Overijssel. Volgens de Raad had de gemeente de vergunning niet mogen verlenen, omdat de omgeving te veel verzuurd was. Sindsdien vrezen veel boeren die geen of onvolledige vergunning hebben voor het voortbestaan van hun bedrijf. Boeren durfden ook geen vergunning meer aan te vragen voor veranderingen in hun stallen die leidden tot een lagere ammoniak-uitstoot, omdat de Raad van State vindt dat de verzuring van de omgeving bij het verlenen van een vergunning betrokken moest worden.

Alders en Bukman zien er van af normen verplicht op te leggen voor de ammoniak-uitstoot bij veehouderijen die geen of een onvolledige vergunning hebben. Binnen vijf jaar moeten veehouderijen zodanige voorzieningen treffen dat de emissie van ammoniak wordt verminderd tot de laagst mogelijke waarde die in redelijkheid kan worden gevergd, aldus de bewindslieden. Gemeenten bepalen wat redelijk is. Als leidraad gelden de normen voor de "Groene-Labelstallen' die zo zijn ingericht dat er zo weinig mogelijk ammoniak uit ontsnapt.

Directeur A. van den Biggelaar van Natuur en Milieu vindt het onverantwoord dat het kabinet uitvoering van het beleid grotendeels overlaat aan de gemeenten. “Individuele gemeenten kunnen hun plan om de ammoniak-uitstoot aan te pakken, onttrekken aan de goedkeuring van de provincie. Dan kun je wel uittekenen wat dat betekent voor gemeenten met een grote landbouwlobby.” Volgens Van den Biggelaar pleegt het kabinet “een stukje bedrog”. “Bedrijven die nu nog geen vergunning hebben, wordt een worst voorgehouden terwijl iedereen weet dat het kabinet binnen een paar weken met een notitie over de derde fase van het mestbeleid komt. Dan zal blijken dat er miljoenen tonnen mest te veel zijn en laait de discussie weer op, inclusief die over inkrimping van de veestapel.”