Geen verweer bij "eervol' ontslag; Agent weg na contact met mensen "met antecedenten'

De politieagent die zich aan een strafbare handeling schuldig maakt, wordt strafrechtelijk vervolgd en oneervol ontslagen. Eervol ontslagen worden de agenten die "ongeschikt' zijn verklaard. Onlangs werd naar aanleiding van een BVD onderzoek de Surinaamse politiefunctionaris Sinester "eervol' ontslagen. Ook de auteur van "Sans Rancune' hangt "eervol' ontslag boven het hoofd. De politieman die op deze grond wordt ontslagen blijkt zich moeilijk te kunnen verweren. Bijvoorbeeld in het geval van Ger van Lint.

AMSTERDAM, 13 MAART. Hij werd gezien in shoarma-tenten op de Wallen en in hasj-koffieshops. Gelegenheden die hij niet zelden verliet met plastic tasjes in de hand. Buiten stonden Mercedessen, binnen zaten mensen "met antecedenten', vaak "donkere types' en tussen hen in zat Ger van Lint, 44-jaar en hoofdagent van politie. Ger van Lint werkte al 23 jaar bij de politie toen hij uit zijn functie werd geplaatst. “Dezerzijds”, schreef hoofdcommissaris W. van Ingen eind november 1991 namens de korpsleiding, “is informatie ontvangen dat u twijfel oproepende contacten onderhoudt, dan wel zou onderhouden met criminele personen.” Wegens die contacten werd hem de wacht aangezegd. Van Lint werkte op het bureau Van Leyenberghlaan in Amsterdam bij de afdeling "info'.

“Door deze contacten vormt u als hoofdagent een ernstig veiligheidsrisico. Om die reden heb ik besloten een nader onderzoek naar uw gedragingen en contacten te laten instellen.” Toen Van Ingen dit schreef was er al een gerechtelijk vooronderzoek naar de hoofdagent begonnen. Van Lint werd er namelijk al in mei 1990 van verdacht dat hij lucratieve contacten onderhield met criminelen uit de kring van een invloedrijke, hoofdstedelijke crimineel. Deze crimineel, Klaas Bruinsma, werd zomer 1991 voor het Hilton hotel in Amsterdam doodgeschoten.

De beschuldiging kwam niet van de eerste de beste. Het hoofd van het interregionaal rechercheteam (IRT) Noord Holland/Utrecht, T. Lith, zélf sprak het vermoeden uit dat Van Lint zich schuldig maakte aan "corrumptieve handelingen'. Het team was eind jaren tachtig opgezet om de misdaadonderneming van Bruinsma te ontmantelen. Bruinsma zou onder meer "zijn mannetjes' bij de politie hebben. Om geen informatie via deze mannetjes naar Bruinsma te laten lekken, werkte het IRT vrijwel onafhankelijk van bestaande korpsen. Van twee anonieme bronnen kwam het bericht over misdragingen van Van Lint.

In het rapport dat de teamleider van het IRT aan de korpsleiding stuurt staat: “(Van Lint) neemt regelmatig spullen mee die hij van Mehmed Mahmoudy (fictieve naam H.M.) krijgt. Veelal zijn dit sieraden.”

“Via Van L. is Mahmoudy aan een container gekomen, een en ander voor handel in verdovende middelen. Van L. is hiervoor beloond.” “Van L. krijgt van iedere kilo hasj die wordt omgezet honderd gulden.” “Met "drie donkere types' is Van L. in een Mercedes naar Aalsmeer gegaan. Zij lopen naar een kas.” “Mahmoudy is (onder andere) met Van L. bezig met het opzetten van een hennepkwekerij.”

Van Lint ontkende zijn contacten met Mahmoudy niet. Hij ging al achttien jaar met hem om. De laatste jaren op vriendschappelijke voet. Dat de Egyptische houder van een shoarmazaak op de Wallen "antecedenten' had was hem bekend. Hij had hem daarvoor zelfs begin jaren tachtig persoonlijk ingerekend. Mahmoudy kende vanuit zijn shoarmazaak op de Wallen het criminele milieu goed en gaf Van Lint wel eens tips door over vuurwapens en handel in hasj. Van Lint zegt dat hij op zijn werk nooit een geheim heeft gemaakt van zijn contacten met Mehmet. Ofschoon de bewuste leidinggevenden ontkennen dat zij iets wisten van Van Lints contacten met Mehmet, houdt Van Lint vol dat zij daar wel degelijk van op de hoogte waren. Ook de andere aantijgingen wijst hij af.

Van Lint: “Mijn zwager wilde in de autohandel en zocht een ruimte om fourwheeldrives in te stallen. Mehmet wist een kas in de buurt van Aalsmeer die te koop was. Als ik echt een hennepkwekerij zou willen beginnen was ik daar natuurlijk niet zo opzichtig naartoe gereden.”

Van Lint wilde de anonieme tipgevers voor de rechter dagen om de beschuldigingen tegen hem te kunnen ontkrachten. Hij had goede hoop dat er niets van de beschuldigingen overeind zou blijven. Het gerechtelijk vooronderzoek dat naar hem was ingesteld was immers op niets uitgelopen.

Maart 1992 achtte het korps nog bewezen dat Van Lint schuldig was aan het opzetten van een hennepkwekerij en het aannemen van honderd gulden per verhandelde kilo hasj. In mei liet het IRT de rechter echter weten dat van de twee anonieme tipgevers "informant 13 was afgestoten' en dat "informant 01' bang was voor ontmaskering en niet voor de rechter wenste te verschijnen. Daarmee verdween voor Van Lint in ieder geval “het voornemen tot strafoplegging”, maar niet het besluit tot schorsing. Want verwijtbaar bleef dat Van Lint contacten onderhield “met een door de politie als crimineel aan te merken persoon.”

Vertegenwoordigers van politiebonden zeggen geen zicht te hebben op het aantal politiemensen dat "eervol' wordt ontslagen omdat eventuele strafbare feiten niet te bewijzen zijn. De Amsterdamse advocaat van Van Lint, mr. P. Huisman, die veel politiezaken doet, heeft de indruk dat dit soort "eervolle' ontslagen steeds vaker voorkomt.