EX ORIENTE LUX

De Schilderskaravaan 1868 *) door Willem de Famars Testas naar een ongepubliceerd handschrift uit het Frans vertaald, ingeleid en geannoteerd door dr. M. J. Raven 204 blz., Peeters 1993, f 70,-- ISBN 90 6831 446 7

Na het verschijnen van de beroemde Description d'Egypte, vervaardigd door de in het kielzog van Napoleons leger meegetrokken kunstenaars en wetenschappers ontstond er in Europa een enorme belangstelling voor de nieuwe en exotische wereld van "de Oriënt'. Soms alleen, maar meestal in groepjes, trok een steeds groeiende groep nieuwsgierigen langs de Nijl tot diep in Soedan en later ook naar Jordanië, Syrië en ten slotte zelfs naar Irak en Iran. Tijdens deze reizen werden door wetenschappers (voornamelijk archeologen en theologen) graven geopend, inscripties ontcijferd en eeuwenlang onder het zand verborgen tempels blootgelegd. Tegelijkertijd probeerden kunstenaars de Oosterse werkelijkheid op papier of doek vast te leggen.

Van de meeste van deze expedities bestaan verslagen in de vorm van wetenschappelijke verhandelingen, reisboeken of schilderijen en tekeningen. Maar dat zijn bijna altijd achteraf vervaardigde bewerkingen van de reiservaringen. Ongecensureerde dagboeken, ter plekke opgeschreven en niet bedoeld voor publikatie, met daarin opgenomen alle triviale zaken die het dagelijks leven tijdens zo'n expeditie bepaalden, zijn zeer zeldzaam. Alleen al daarom vormen de dagboeken van de Nederlandse schilder Willem de Famars Testas bijzondere documenten.

De Famar Testas maakte twee lange reizen naar de Levant. De eerste, die van 1858 tot 1860 duurde, maakte hij mee als tekenaar in dienst van Emille Prisse d'Avennes, een briljante maar zeer onsympathieke Franse Egyptoloog. En hoewel d'Avennes later met de eer streek, zijn veel tekeningen en aquarellen in diens beroemde L'Histoire de l'Art Egyptienne van de hand van De Famars Testas.

Na zijn terugkeer trokken zijn "Oosterse werken' niet alleen in Nederland aandacht. Ook de in Brussel gevestigde, en in het Oriëntalisme gespecialiseerde galerie van de Parijse firma Goupil toonde interesse. Mede daardoor kwam hij in contact met Jean-Leon Gerome (1824-1904) die destijds werd beschouwd als de ongekroonde koning van het Franse Oriëntalisme. Toen deze hem in het voorjaar van 1867 voorstelde samen een nieuwe reis naar de Oost te ondernemen, nam De Famars Testas, ondanks zijn slechte ervaringen, de uitnodiging onmiddellijk aan.

Tijdens beide reizen hield hij een uitvoerig dagboek bij. Het dagboek van zijn eerste "Egyptische reis' verscheen in 1988 als onderdeel van de catalogus bij een aan zijn schilderijen gewijde tentoonstelling onder de titel Willem de Famars Testas. Reisschetsen uit Egypte (Gary Schwartz / SDU). Onlangs verscheen ook het verslag van zijn tweede reis. Maarten Raven, conservator van de Egyptische afdeling van het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden (die ook de uitgave van het eerste dagboek verzorgde) heeft dit journaal, waarvan het handschrift zich in het archief van zijn museum bevindt, uit het Frans vertaald en bewerkt.

Van alle Nederlandse "Oriëntalisten' is De Famars Testas de enige die kan bogen op een lang verblijf in het Midden-Oosten. In tegenstelling tot hun Engelse en Franse collegae werkten de Nederlandse Oriëntalisten hoofdzakelijk in de veilige omgeving van hun Hollandse ateliers. Inspiratie putten zij uit de werken van hun buitenlandse vakbroeders die wel de Levant hadden bereisd, of zij bedienden zich van de platenatlassen van archeologen als Prisse d'Avennes, Belzoni en Lepsius of van de foto-albums van Marcelle Du Camp.

Werd de eerste reis van De Famars Testas vooral gekenmerkt door ongemakken, ziektes en persoonlijke ruzies, de tweede trip komt uit het nu gepubliceerde dagboek naar voren als het toppunt van harmonie en gemak. Het ernstigste wat de reizigers overkomt, is een zieke reisgenoot en de opdringerige manier waarop ze in Petra (de beroemde runestad in Jordanië die pas twintig jaar daarvoor was herontdekt) door de bedoeënen

worden behandeld.

De dagboeken van Willem de Famars Testas vormen, ondanks het feit dat hij geen groot stilist is, verrassende literatuur. Niet alleen blijkt hij een scherp observator van de toen voor de meeste Europeanen nog zo onbekende wereld, ook verschaft hij een goed inzicht in hoe zo'n kunstenaarsexpeditie tot stand kwam, hoe men reisde en vooral hoe men ter plekke werkte.

*)Ook verschenen als deel XXIX in de serie Mededelingen en Verhandelingen van het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap "Ex Oriente Lux'