Dribbels

Er gaat een deur open. Er gaat een deur dicht. Iemand heeft zich opgesloten in de wc en begint over te geven.

Het is kwart voor vier. Ik zou graag nog wat slapen. Probeer me iets prettigs te herinneren.

Ik denk aan Tante, mijn aangenomen grootmoeder op Herwijnen, onwaarschijnlijk oud, klein en mager. Vrijdagavond. Ze hangt de boodschappentas aan haar arm en loopt de dijk op om naar Makkelien te gaan.

“Ze loopt als een kievit”, zei mijn vader altijd. En later: “Ze liep als een kievit.” Maar het is toch zeker al een jaar of vijftien geleden dat ik dat voor het laatst heb gehoord.

Ik dacht dat het een staande uitdrukking was, een makkelijke benadering van de werkelijkheid. En hoe een kievit loopt, had ik natuurlijk nog nooit bekeken.

Tante liep van het ene huisje naar het andere. Overal bleef ze even staan om naar beneden te kijken. Overal wou ze een praatje maken. Ze had een schelle, kakelende stem.

Met een rukje zette ze zich in beweging. Ze liep in dribbels, snelle pasjes, een beetje voorover gebogen. Er zat iets hebberigs in haar manier van lopen. En dan hield ze met een rukje weer stil, alsof ze in zichzelf aan een teugel trok.

Precies als een kievit, ja. Het is aan die uitdrukking te danken dat ik haar nu zo duidelijk voor me zie. Zoals ze daar loopt, zo zou je haar kunnen filmen.