Dienstplichtigen en beroeps aarzelend over VN-taken

ROTTERDAM, 13 MAART. Hun grootste angst is dat de reis op het laatste moment niet doorgaat. Dienstplichtige F. Maandag, die in het Centrum Voor Vredesoperaties in Harskamp wordt klaargestoomd voor de transporteenheden in Bosnië-Hercegovina, denkt zijn diensttijd zinvol in het voormalige Joegoslavië te kunnen volmaken. “Voedsel brengen naar hongerige mensen, dan draag je toch je steentje bij.” Ook zijn collega M. Roest heeft er zin in: “Je loopt in Bosnië niet meer risico dan in de grote stad.”

Maar als ze gevraagd zouden worden voor gevechtstaken, zouden ze dan ook gaan? “Nooit van mijn leven”, zegt Maandag resoluut. Roest twijfelt: “Met een duidelijke opdracht, het bevrijden van Sarajevo bijvoorbeeld, heel misschien wel. Maar dat soort dingen is toch meer iets voor de beroeps.”

Dat laaste is de vraag. Premier Lubbers zei gisteren na het kabinetsberaad dat overwogen moet worden ook niet-vrijwillige diensplichtigen op vredesmissies te sturen - iets dat vooral lijkt ingegeven door de dreigende schaarste aan vrijwilligers voor VN-acties. Tijdens een debat over Joegoslavië drong de Kamer deze week aan tot het formeren van een pantserinfanteriebataljon die Nederlands krijgshaftige taal over actief ingrijpen in Bosnië-Hercegovina enige inhoud kan geven. Maar terwijl de mariniers de handen vol hebben aan de Antillen en Cambodja en de luchtmobiele brigade nog volop in training is, lijkt de landmacht niet in staat die eenheid te leveren. Chauffeurs van tanks en pantserwagens zijn overwegend dienstplichtigen, die tot dusver volgens de motie-Frinkink (1987) alleen op vrijwillige basis kunnen worden uitgezonden buiten het NAVO-verdragsgebied.

Ook onder beroepsmilitairen bestaat twijfel over de nieuwe VN-taken die het Nederlandse leger volgens de in januari verschenen Prioriteitennota op zich moet nemen. Volgens een enquête die de Algemene Federatie van Militair Personeel (AFMP, 25.000 leden) vorige week bekend maakte, kan 55 procent van de beroepsmilitairen zich niet vinden in de nieuwe VN-taken. Dertig procent zou helemaal niet willen meewerken aan vredesoperaties. Vijftien procent zou "overwogen' hebben de dienst te verlaten, maar doet dat niet uit angst voor werkloosheid. De meerderheid van die groep zou graag een baan als politie-agent, milieu-inspecteur of cipier accepteren.

De helft van de militairen die VN-missies afwijzen noemt als motief dat er geen Nederlands belang wordt gediend. Langdurige afwezigheid wordt door 33,6 procent genoemd, gevaar door 14 procent, maar volgens de AFMP altijd in combinatie met de eerstgenoemde redenen. “Het gaat vooral om militairen die in dienst traden toen er nog een Warschau Pact was. Ze wilden god, koningin en vaderland verdedingen tegen het communisme, maar dachten niet na over de internationale rechtsorde”, zegt woordvoerder M. van der Maas van de AFMP.

Volgens een woordvoerder van Defensie ligt het eenvoudig: “Als beroepsmilitair ben je inzetbaar of je bent het niet. Het klinkt cru, maar zo ligt het.” Defensie neemt de cijfers van het AFMP overigens met een korreltje zout en verwijst naar een onderzoek onder beroepsmilitairen uit februari, dat het NIPO in opdracht van de Afdeling Gedragswetenschappen verrichtte. Daarin zegt 14 procent van de beroepsmilitairen VN-taken te weigeren, zelfs als dit ontslag zou betekenen.

Beleidsmedewerker H. Braxhoofden, van de Maatschappelijke Dienst van het leger: “Ik heb zo mijn twijfel over al die cijfers. Aan de koffietafel een enquêteformulier invullen is wat anders dan weigeren als je aangewezen wordt.” Volgens hem gebruikt een militair een dienstbevel ook vaak als alibi voor de achterban: “Het is handig om door het leger gedwongen te worden als je weet dat je vrouw boos wordt wanneer je je als vrijwilliger opgeeft.”

Toch zijn er militairen die hun twijfels over de nieuwe taken van het leger openlijk beleiden. “De Verenigde Naties moeten zich niet bemoeien met een ordinaire burgeroorlog in Joegoslavië”, zegt sergeant eerste klasse L. Hennekam. Op zich heeft hij niets tegen optreden in VN-verband, maar hij voorziet dat de kleine groep Nederlandse beroepsmilitairen die na de afschaffing van de dienstplicht resteert, vrijwel permanent onderweg is van de ene naar de andere brandhaard.

Hennekam is 33 jaar en zit 14 jaar bij de landmacht. Hij betwist dat zijn generatie al bij in diensttreding zou hebben geweten dat zij een VN-taak kon krijgen. “Je wist dat je in Nederland of Duitsland terecht kon komen, hooguit in Navo-verband in Turkije. In 1991 in ons trouwens nog eens nadrukkelijk gevraagd of we daarvoor in aanmerking wilden komen”, aldus Hennekam. “Als die mogelijkheid ons bij in diensttreding was verteld, was die vraag overbodig geweest.”

Vooral aan het thuisfront rommelt het. De echtgenoot van L. Oosterom werd in september vorig jaar opgeroepen om dienst te doen in het voormalig Joegoslavië. “Een keus had hij niet, dus hij ging”, zegt ze. “Maar toen hij twintig jaar geleden tekende bij de landmacht, koos hij voor een normaal gezinsleven. Anders was hij wel bij de marine gegaan.” Oosterom zegt er trots op te zijn dat haar man militair is, “maar hij heeft ook een contract met zijn vrouw gesloten.” Wanneer het om missies met een welomschreven doel zou gaan, zoals indertijd in Libanon, zou ze minder bezwaar maken, zegt Oosterom. “Maar in Bosnië staan onze mannen erbij en kijken ernaar. Moet je daarvoor doodgeschoten worden?”

Volgens W.J.G. Gooijers wordt de discussie over de nieuwe taakstelling vooral gevoerd binnen de landmacht. Gooijers is voorzitter van de Algemene Christelijke Organisatie van Militairen (ACOM) die 15.000 leden telt, waarvan er zo'n 600 dienstplichtig zijn. “De taakstelling van de landmacht is heel lang gericht geweest op defensief functioneren op de Noordduitse laagvlakte of in eigen land”, zegt hij. “De taken van luchtmacht en marine waren toch meer flexibel.”

Volgens Gooijers zijn de ACOM-leden echter in meerderheid voorstander van de nieuwe taken. Twee maanden heeft de ACOM een 06-nummer gehad. Voor hen die zich afvroegen: "moet ik mij onderwerpen aan de nieuwe taakstelling in met name Cambodja en Joegoslavie'. “Als er in twee maanden tijd tien hebben gereageerd, zijn het er veel”, aldus Gooijers. Ten tijde van de kernwapendiscussie, die werd gevoerd in 1982 en 1983, waren die aantallen veel hoger. Toen bestond de mogelijkheid een beroep te doen op de wet gewetensbezwaarden. Erkenning van die bezwaren leidde tot een wachtgeldregeling.

Sergant F. Baboe denkt dat vooral oudere officieren geen zin hebben in buitenlandse avonturen. Hij wil wel: “Niet omdat ik Rambo wil spelen, ik vind het mijn plicht om me voor de mensen in Joegoslavië in te zetten. Ik ga vrijwillig, maar onder één voorwaarde. Als mijn vriendin nee zegt, dan is het nee. Al kost me dat mijn baan.”