De vierde ronde

Wie overdag de televisie aanzet wordt vergast op beelden van a. skispringen, b. langlaufen en c. langlaufen en schieten.

Ik weet niet wat het ergste is. Misschien wint skispringen de prijs voor de sport die het minst fotogeniek is en het meest saai. Of zijn ene been bungelt er zo'n beetje bij, of hij houdt ze stil. Waar hij neerkomt is niet goed uit te maken, bovendien schijnt het er niet zoveel toe te doen als het bungelen maar afgelopen is. Ik schrijf "hij', want ik heb tot op de dag van vandaag nog nooit een vrouw van die schans af zien gaan - tenzij vrouwen al vroeg hebben ingezien dat dit geen sport is. Alleen het begin al: dat knullige zitten op zo'n balkje voor je begint.

Over langlaufen heb ik het maar helemaal niet. Dan kun je nog beter naar lange-afstandschaatsen kijken (korte-afstand-langlauf bestaat niet, hoewel dat niet eens zo'n gek idee is, de langlauf-sprintkampioenschappen, over 100 yards. Dan kijk ik wel).

Meer is er dus niet op de televisie, tenzij je Italiaans spreekt en kan verstaan wat dat mooie mens te melden heeft, dat acht uur per dag op RAI Uno aan het woord is tegen een groepje tegenstanders, zeven dagen in de week. Als ze hetzelfde bedrag krijgt als André van Duin verdient ze, en terecht, ruim driehonderd miljoen per jaar. Guldens, geen lire.

Je moet dus lezen. Maar wat. (Ik ga ervan uit dat u De Ontdekking van de Hemel al uit heeft.)

Mag ik u dan het pedante blad The New York Review of Books aanbevelen.

Daarin schrijven beroemde en minder beroemde schrijvers over net uitgekomen boeken van andere beroemde en minder beroemde schrijvers. Op een heel leuke manier uiteraard, want daarom zijn het beroemde of minder beroemde schrijvers, nietwaar, men wil niet klakkeloos kritiek leveren, maar zelf iets toevoegen.

Ik neem even het exemplaar van 4 maart jl.

Iris Murdoch schrijft erin over het boek Haunts of the Black Masseur: The Swimmer as a Hero, door Charles Sprawson.

Iris kan schrijven en aarzelt dus niet aldus te beginnen:

""I am not in the athletic sense a keen swimmer, but I am a devoted one.''

Wie met zo'n zin een literaire kritiek opent, durft. Het stuk heet dan ook TAKING THE PLUNGE, een eigen titel, zoals het een eigen stuk betaamt, dus niet de titel van het gelezen boek erboven.

Ze vindt het een goed boek, lezen we al in het begin van het stuk. ""Packed with fascinating tales of swimming exploits in history and literature, and with accounts of immersion in lochs, fjords, straits, and torrents all over the world, his splendid and wholly original book is as zestful as a plunge in champagne.''

Afgezien van deze conclusie die andere, mindere schrijvers, als hun eindzin hadden gebruikt, begint Iris Murdoch haar verhaal hier eigenlijk mee, en ze gebruikt de rest van haar verhaal om ons langs de interessante highlights te voeren.

Het boek laat ons zien dat Britten altijd amateurs (in de oude zin van het woord) zijn gebleven, in het begin van deze eeuw ingehaald door Duitsers en Japanners die de boel op wetenschappelijke manier aanpakten en snelheid als hun hoogste ideaal zagen. En bij duiken de hoogte.

Leni Riefenstahl liet in haar Olympische films de uitvinding van de zwaluw-duik zien.

Het absolute hoogterecord werd al in 1918 gevestigd door een Salomons Eilander, de heer Alick Wickham, die van een platform op een steile rots boven de Yarra rivier in Zuid-Australië 205 voet en 9 inches dook (ruim 62 meter). De man was niet zozeer onder de indruk van de hoogte maar meer van de kans dat hij de oever aan de andere kant zou raken. Hij haalde het, hoewel alle zwempakken, die hij droeg om zich af te schermen tegen de klap, van zijn lijf waren gescheurd, en hij een week in coma bleef.

Dan was er de lange-afstandzwemmer kapitein Matthew Webb, de eerste man die het Kanaal overzwom. Op latere leeftijd ontkwam hij niet aan de aantrekkingskracht van de Niagara watervallen: '"Like a warrior in the Iliad putting on his armour, Webb wore the red silk costume made famous by his Channel swim.'' Hij dook van de boot en zwom dwars door het wilde kokende groene water dat zich scheen op te stapelen in het midden als een gletsjer. Niemand zag hem levend terug.

Twee Engelse romanschrijvers zwommen ooit de zee in met het oogmerk niet terug te keren (Graham Greene en Evelyn Waugh). Beiden keerden wel terug. Waugh, omdat hij, naar hij zei, ineens omringd werd door kwallen.

Ook Jonathana Yardley beschrijft het zwemboek met de dubbele titel (Haunts of the Black Masseur is de titel van een verhaal van Tennessee Williams) gunstig in een kritiek in de Herald Tribune. Hij haalt vooral het sensuele plezier aan van het zwemmen, wat in Europa een beetje on-netjes en on-christelijk werd gevonden, en pas door de Engelse romantici zoals Byron, Shelley en Swinburne weer gloedvol werd beschreven.

We moeten het dus met Murdoch - die zelf, net als haar collega's L.P. Hartley, Tennessee Williams en John Cheever, ook veel over water en zwemmen schreef - eens zijn dat de mens in het water een plaats heeft in de literatuur, en zelfs in de filosofie, hoewel Murdoch meent dat Nietzsche noch Kierkegaard enige aandrang tot zwemmen vertoonde. Wittgenstein zwom regelmatig, net als G.E. Moore en Rupert Brooke. Ze denkt zelfs dat Plato een groot zwemmer was. Van Aristoteles is ze niet zo zeker.