De dagboeken van W.H. de Beaufort, een patricisch burger in de politiek

Juli 1897 (Dagb. 2, 12-21)

Zondag 18 juli kwam 's middags Gleichman met vrouw en dochter mij een bezoek brengen op Den Treek. Mijne vrouw was uit. Wij wandelden een eind en Gleichman deelde mij mede dat Pierson bezig was met het zamenstellen van een kabinet en wie daarin zouden komen. Cremers had bedankt voor Kolonieën. Ik antwoordde dat Pierson Cremers zeker voor Buitenlandsche Zaken kon krijgen. "Dat heb ik tegengehouden', zeide Gleichman. Wie dan? "Indien hij niet iemand kan krijgen die hij zeer gaarne wenscht, dan bijvoorbeeld Van Tets.' Ik begreep wat hij bedoelde, doch sprak er niet over door.

Dinsdagavond, terwijl ik zat thee te drinken met mijne schoonzuster Van Eeghen en mevrouw Van Zuylen van Nyevelt, ontving ik een brief met expresse bestelling. Op het adres herkende ik de hand van Pierson. Toen ik den brief gelezen had, was mijne eerste gedachte om dadelijk te weigeren. Ik vroeg mij echter bij nader overweging af, of ik dan mijn plicht wel zou hebben gedaan, overlegde de zaak met mijne vrouw die geen overwegende bezwaren had tegen de veranderingen in onze huishouding die een ministerie van Buitenlandsche Zaken noodzakelijk ten gevolge zou hebben.

Vertrok woensdagmorgen naar 's-Gravenhage. Sprak eerst Gleichman, van wien ik reeds een brief in mijne woning vond. Hij meende dat ik niet moest weigeren. Ging tegen half drie naar Pierson, sprak een uur met hem over enkele punten, vooral wijziging armenwet waarvoor ik zeer beducht was. Vernam toen dat Drucker, die uit Zwitserland was overgekomen, bedankt had: bleef nu voor Binnenlandsche Zaken niemand over dan Borgesius. Verklaarde dat Borgesius mij veel minder sympathiek was dan Drucker. Gaf te kennen of het niet beter ware dat Pierson tusschen mij en Borgesius koos, in welk geval ik als mijne meening uitsprak dat het meer geraden voor hem was om Borgesius te nemen en mij te laten glippen. Pierson zou nog eens met Borgesius gaan spreken, trachtte wellicht Drucker nog te krijgen; sprak af dat hij mij zou telegraferen telegraaf restante Amersfoort, zoodat ik 's avonds bij mijne tehuiskomst zou weten of de zaak afgesprongen was; zoo niet, dan zou ik den volgenden morgen te tien ure weder bij hem komen.

Vond telegram: "Kom'. Ik ging toen donderdag 's morgens naar Den Haag, nog onwetend wie ik als mijn aanstaande collega zou vinden, Drucker of Borgesius. Pierson zeide mij vooraf met een paar woorden dat alle moeielijkheden waren opgekomen van de zijde van Borgesius, en dat hij had doen weten dat, indien de club van Borgesius bezwaar maakte, hij met die club niet rekende; dat hij mij als minister wilde en dat Borgesius nu maar moest kiezen of deelen: met mij of in het geheel niet. De club scheen toen zich te hebben teruggetrokken, ofwel Borgesius had de club laten waaien. In elk geval, ik ging binnen, waar ik de heeren bijeen vond. Wij spraken van half elf tot half zes zeer vriendschappelijk zonder eenige moeielijkheid. Eland was afwezig te Nauheim wegens ziekte zijner vrouw. Nog een telegram gezonden aan hem staande onze bijeenkomst, waarin op een afzonderlijke wet voor den persoonlijken dienstplicht werd aangedrongen, iets waar ik alleen niet sterk voor was, meende dat alles ineens moest worden geregeld. Wij dejeuneerden tusschen in bij mevrouw Pierson. Kwart over vijven waren wij gereed. Twee couranten reporters wandelden den geheelen dag langs het huis. Wij wilden door de achterdeur uitgaan, doch daar had zich ook reeds een observatiepost van de journalistiek gevestigd. Dineerde dien middag met mijne vrouw bij Gleichman, die zeer in zijn schik was.

21 December 1911 (Dagb. 25, 18-19)

Onze staatkundige toestand is thans in een tijdperk van zedelijk verval. Alles is ondergeschikt aan het eigenbelang, in de Kamer wordt allereerst gevraagd: wat wil de meerderheid der kiezers? Traktementsverhooging der lagere ambtenaren, pensioenen voor iedereen, enzoovoort, enzoovoort, dit zijn de zaken waarvoor men zich warm maakt. Voor algemeene beginselen van regeering of van recht voelt niemand meer iets. Een droevig bewijs van verval is ook de invloed dien Kuyper thans weder blijkt verkregen te hebben. Hij regeert het ministerie en dit neemt zijn juk gewillig aan. Het kan zonder hem niets, want honderdduizend kiezers wachten op Kuypers signaal om te doen wat hun door den van God gegeven leider bevolen wordt. Wij worden geregeerd door de onwetendheid. De domme menigte die Kuyper als een bovennatuurlijk wezen vereert heeft zich door haren leider laten vervoeren om de vroeger door haar zoozeer gehate roomsche kerk in alles ten dienste te zijn. Op dit oogenblik heerscht bij ons onder Kuypers leiding de roomsche kerk. Zij is oppermachtig, maar weet dat zij die oppermacht alleen kan behouden door Kuyper. Zij moet hem dus naar de oogen zien, maar Kuyper weet even goed dat hij niets kan zonder de roomschen en daar deze laatsten hun beginsel niet opofferen en Kuyper hiertegen niet het minste bezwaar heeft, zijn zij tenslotte de machtigsten.

13 Maart 1918 (Dagb. 35, 153-154)

"Que dira la génération future de tout ce qui se passe maintenant?' zeide dezen morgen aan het ontbijt mademoiselle Wissler en het is inderdaad een belangrijke vraag. Wat zal het oordeel zijn over vijftig jaren aangaande de gruwelijke moordpartijen door vliegtuigen in Parijs, Londen en in Duitsche steden. De vliegers die geringe kans op levensbehoud hebben, doen het hun opgedragene niet om hun vaderland te redden of om het einde van den oorlog te verhaasten, maar alleen om indruk te maken - zooals het heet - op de bevolking. Die indruk werkt niet anders dan als prikkel tot aanwakkering van den haat der volken onderling. De moord van zoovele ongelukkige slachtoffers, vrouwen en kinderen, maakt de overblijvenden woedend, zij schreeuwen om wraak, hoe kan het anders. Te Parijs is een gasthuis geraakt en zijn zeventig vrouwen en kinderen die wilden wijken onder den voet geloopen. Het is gruwelijk. Men voelt hoe men zelf zedelijk achteruit is gegaan wanneer men, na gelezen te hebben dat de beschieters uit een vliegtuig levend verbrand zijn, met voldoening uitroept: goddank. De verwildering van den mensch neemt schrikbarende verhoudingen aan. Niemand had zich kunnen voorstellen dat het zoo erg zoude loopen en waarschijnlijk wachten ons nog ergere ervaringen.