De Bijstand

Iedere Nederlander die onvoldoende middelen heeft om in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud te voorzien, heeft recht op een uitkering volgens de Algemene Bijstandswet. De eigen verantwoordelijkheid van de betrokkenen staat voorop; de hoogte van de bijstandsuitkering wordt afgestemd op de omstandigheden van persoon en gezin. Dit kan leiden tot afwijking van de landelijke normbedragen.

Deze bedragen variëren van 1046,56 gulden per maand voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder die een woning met anderen deelt, tot 1760,31 gulden voor een echtpaar met of zonder kinderen. Voor jongeren onder de 21 jaar gelden lagere uitkeringen. De Bijstandswet voorziet ook in een vakantie-uitkering.

De bijstandsbedragen worden toereikend geacht voor alle uitgaven voor dagelijks levensonderhoud, inclusief aflossingen en geldleningen. Voor extra uitgaven - bijvoorbeeld voor medische of maatschappelijke hulp - kunnen personen en gezinnen naar draagkracht Bijzondere Bijstand krijgen.

De gemeenten zijn belast met de uitvoering van de Bijstandswet en nemen tien procent van de uitgaven voor hun rekening. In 1992 kregen 560.000 mensen een bijstandsuitkering. De uitvoering van de Bijstandswet - inclusief de Rijkgroepsregeling Werkloze Werknemers - kostte vorig jaar in totaal 12,7 miljard gulden.

De belangrijkste vormen van uitkeringsfraude zijn: het niet opgeven van "witte' of "zwarte' bijverdiensten, verzwijgen van vermogen en het verstrekken van onjuiste gegevens over de woonsituatie. Recente onderzoeken in onder andere Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Dordrecht, richtten zich vooral op "witte' fraude. In het Groningse onderzoek van eind vorig jaar stond de woonsituatie-fraude centraal.