Antiekbeurs Maastricht weer groter; Een doolhof met een hoog peil op alle fronten

The European Fine Art Fair 1993 in het MECC te Maastricht. Van 13 t/m 21 maart. Ma. t/m vr. 11.00-20.00 uur. Za. en zo. 11.00-18.00 uur. Entree inclusief catalogus f 45,-. Voor twee personen f 65,-.

MAASTRICHT, 13 MAART. In het Maastricht Exhibition and Congress Centre (MECC) is gisteravond The European Fine Art Fair geopend. Deze als TEFAF afgekorte beurs is hard op weg de belangrijkste antiekbeurs ter wereld te worden. Namen er vorig jaar 144 kunsthandelaren aan deel, nu zijn het er 158, waarvan 52 uit Nederland. Deze groei is al enkele jaren voelbaar is en heeft nog niet zijn top bereikt, ook al trekken sombere conjuncturele wolken ook langzaam boven de kunstmarkt samen. Men kan het ook omdraaien: juist door een teruglopende markt gaan handelaren die aanvankelijk huiverig tegenover het verschijnsel beurs stonden nu toch meedoen. Een beurs betekent investering van veel tijd, organisatie en kosten. Daar staat tegenover dat men juist hier in een kort tijdbestek veel contacten kan leggen: met oude en potentiële verzamelaars, met museumconservatoren en met collega's. Zeker voor antiquairs met een gesloten huis is het goed om eens naar buiten te treden.

De TEFAF, in 1988 ontstaan uit een fusie van oudere beurzen, waaronder Pictura en Antiqua heeft elk jaar nieuwe branches ingelijfd. Naast de traditionele oude schilderkunst en antiek zijn hier nu ook de secties Textura, moderne schilderkunst, juwelen, oude boeken en prenten en klassieke oudheden vertegenwoordigd. Op een immens oppervlak is zo een doolhof van kunstwinkels ontstaan. De oude schilderkunst is op een goed peil vertegenwoordigd en vormt de hoofdmoot. Het accent ligt er op de Zuidelijke en vooral op de Noordelijke Nederlanden van de late zestiende en de zeventiende eeuw. Er hangt veel uit de Vlaamse scholen, wat ook te maken heeft met het feit dat Antwerpen dit jaar culturele hoofdstad van Europa is. Op het gebied van de Noordnederlandse kunst zijn vele specialismen vertegenwoordigd, waarbij er een gemiddelde voorkeur lijkt te bestaan voor stillevens, landschappen, zeegezichten en boerentafereeltjes. Men ziet dan ook buitengewoon veel bloemstillevens en nogal wat Van Goyen, Ruysdael en verder Adriaen van Ostade. De bloemstukken zijn in de stillevensector oververtegenwoordigd, wat enigszins wordt gecompenseerd door een paar prachtige schelpenstillevens van Balthasar van der Ast.

Er zijn ook nogal wat portretten en vooral daar vindt men enkele hoogtepunten van deze beurs. Zoals een meisjesportret uit 1658 van Govert Flinck (bij Rafaël Valls), een jongensportret door Cornelis Verspronck (bij Waterman), nu eens wat spontaner geschilderd dan deze schilder doorgaans doet. Een "jongeman in Perzisch kostuum' door Jan Lievens bij Moatti verdient de aandacht, evenals een mannenportret door een andere Rembrandtleerling, Willem Drost (bij Heide Hƒlzer). Nog twee kleinere stukken die er uitspringen zijn een elegante dame met haar bediende door Eglon van der Neer en een vrouw met een spinrok door Michiel Sweerts (bij Gutekunst & Co).

De negentiende-eeuwse schilderkunst is met veel internationaler werk vertegenwoordigd: behalve met Nederlandse schilderijen ook met Frans, Italiaans en Duits werk. De hedendaagse schilderkunst is enigszins een buitenbeentje op deze beurs. Loek Brons heeft enkele mooie stillevens en een zelfportret van Dick Ket hangen.

Bij de schilderkunst mag dan wel het zwaartepunt van deze beurs liggen, ook de andere secties hebben een hoog peil gehanteerd. Het handjevol buitenlandse handelaren in tapijtkunst zorgt elk jaar weer voor een ongekend aanbod. Zowel van Europese, in dit geval veel Vlaamse tapijten, als van oriëntaals textiel en Zuidamerikaanse pre-columbiaanse weefsels van een ongekend fris gebleven kleur en getuigend van een grote decoratie-inventiviteit.

De kleinste sector, die van de oude boeken en prenten, biedt ook veel. Hesselink uit Utrecht heeft bijvoorbeeld enkele staaljes van zeventiende-eeuwse schoonschrijfkunst die men met recht tot de hogere pen-acrobatiek mag rekenen. De stand van Tenschert biedt een concentratie van unica met een uitzonderlijk hoog soortelijk gewicht. Daar ziet men tientallen handschriften van de elfde tot de vijftiende eeuw: getijdeboeken, brevieren, kronieken en vertalingen van klassieke auteurs als Caesar en Seneca, boeken waar elke kloosterbibliothecaris jaloers op zou zijn geweest.

Deze beurs, een conglomeraat van 158 exposities, heeft een hoog peil en is zeer de moeite waard. De bezoeker moet wel van te voren bedenken wat hij wel en wat hij niet wil zien. Alles nauwkeurig bekijken in één dag is onmogelijk. Zeker wanneer men ook nog de lezingen en muziekuitvoeringen wil bijwonen waarmee deze superbeurs is gelardeerd.