Ziet U, ik werkte voor de mensheid; De uitvinding van de achterpootloze stoel

"De geschiedenis van de achterpootloze stoel kan geïnterpreteerd worden als het bewijs van het welslagen van het avantgarde-ideaal van een goedkoop en practisch meubel', aldus een proefschrift gewijd aan de stoel waarover menigeen bij het opstaan zijn nek breekt.

Otakar Mácel: Der Freischwinger. Vom Avantgardeentwurf zur Ware. Uitg. Vakgroep Geschiedenis, Media en Informatica van de Faculteit Bouwkunde TU Delft, 191 blz. Prijs ƒ 25,- Otakar Mácel en Werner Möller: Ein Stuhl macht Geschichte. Uitg. Prestel, 126 blz. Prijs ƒ 104,90. Tot 26 maart is de tentoonstelling "Ein Stuhl macht Geschichte' te zien in het Vitra Design Museum in Weil am Rhein, Duitsland en van 16 april tot 13 juni in het Museum für Kunst und Gewerbe in Hamburg.

De achterpootloze stoel schept nog steeds verwarring. Dit bleek weer eens bij een "design'-veiling van Studio Waterstad op 13 februari in Rotterdam. Een van de topstukken was, aldus een artikel in deze krant, "een stoel met een frame van metalen buizen uit 1926 - de eerste in zijn soort - van de Nederlandse architect Mart Stam.' De stoel, voorzien van een zitting en rugleuning van gevlochten riet, stond erbij afgebeeld. Maar wie het onlangs verschenen boek Marcel Breuer Design opslaat, krijgt te lezen dat deze stoel volgens de schrijfster Magdalena Droste niet door Mart Stam in 1926 is ontworpen, maar door de Bauhäusler Marcel Breuer in 1928.

Is deze B 32, zoals de stoel officieel heet, van de Duitse firma Thonet nu van Mart Stam (1899-1986) of van Marcel Breuer (1902-1981)? Op deze vraag heeft Otakar Mácel, docent architectuurgeschiedenis aan de Technische Universiteit Delft, in zijn proefschrift Der Freischwinger. Vom Avantgardeentwurf zur Ware voor eens en altijd antwoord gegeven. (Ein Stuhl macht Geschichte, het boek dat Mácel samen met Werner Möller schreef, is een bekorte en iets gewijzigde versie van het proefschrift.) Mácel beschrijft de geschiedenis van de achterpootloze buisstoel, van "cultuurbolsjewistisch' elitemeubel tot volkomen geaccepteerd massaprodukt waarop zelfs Hitler plaatsnam om de Völkischer Beobachter te lezen, zoals blijkt uit een vage foto in Der Freischwinger. "De geschiedenis van de achterpootloze stoel kan geïnterpreteerd worden als het bewijs van het welslagen van het avantgarde-ideaal van een goedkoop en practisch meubel', luidt de eerste stelling bij Mácels proefschrift dan ook. Op zichzelf is deze geschiedenis al boeiend genoeg, maar wat beide boeken van begin tot eind vermakelijk maakt, zijn de beschrijvingen van het complexe en steeds weerkerende juridische geharrewar over het auteurschap van de stoel.

Kraagbeginsel

Marcel Breuer was de eerste die in 1925 een meubel van verchroomde stalen buizen maakte, de beroemde Stahlclubsessel die tegenwoordig in vrijwel elke meubelwinkel als de Wassily-fauteuil te koop is. Maar deze stoel stond nog helemaal in het teken van het elementarisme van De Stijl, schrijft Mácel. Hij vindt de Freischwinger superieur: deze was pas echt de verwezenlijking van het zakelijke ideaal van het Nieuwe Bouwen. "Het ontbreken van de achterpoten, het kraagbeginsel, belichaamde de nieuwe eis tot de ontkenning van de zwaartekracht die ook in de architectuurprojecten tot uitdrukking kwam.' En het was Mart Stam die de eerste Freischwinger maakte.

Stam was volgens Mácel niet de uitvinder van het "Kragprinzip', maar hij was wel de eerste die er de geëigende stoelvorm voor vond. Het prototype voor de achterpootloze stoel construeerde Stam volgens eigen zeggen in 1926 in Rotterdam uit zestien gasbuizen en fittingen voor zijn zwangere vrouw Leni Lebeau. Pas een jaar later kwam de Freischwinger in de openbaarheid toen Stam er een neerzette in een van de appartementen van zijn woningblok in de Weissenhofsiedlung, de nu legendarische internationale tentoonstelling van het Nieuwe Bouwen in Stuttgart. Op dezelfde tentoonstelling presenteerde Ludwig Mies van der Rohe in zijn flat een Freischwinger, die een "correctie' was op Stams opengeklapte kubus. Mies van der Rohe had een paar maanden daarvoor een tekening van Stams buizenstoel onder ogen gekregen. Hij vond hem lelijk en voorzag hem van ronde poten in plaats van rechte. De toevoegingen aan Stams minimalistische stoel, waarover menig argeloos gezetene bij het opstaan en weggaan zijn nek breekt, werpen trouwens een eigenaardig licht op de toenmalige opvattingen van de architect die later om zijn uitspraak "less is more' bekend zou worden.

"Minder' dan Stams stoel was niet mogelijk, beter wel. Stams stoel uit 1927 was gemaakt van dunne buizen die bij de krommingen moesten worden opgevuld met metaal, zodat het verende effect verloren ging. Voor zijn versie van de Freischwinger, de al genoemde B 32 uit 1928, gebruikte Breuer daarom net als Mies van der Rohe dikkere buizen die niet versterkt hoefden te worden en dus wel konden veren. Anders dan Stams stoel vormen de buizen van de B 32 geen continue lijn en ook de maten van Breuers stoel zijn verschillend, evenals het materiaal van de zittingen. De B 32 was, kortom, een heel andere stoel dan die van Mart Stam.

Maar dat vonden de Duitse rechters in 1932 niet, toen zij een uitspraak deden in het proces dat Peter Lorenz had aangespannen tegen Thonet, de fabrikant van de B 32. Lorenz had in 1929 een contract gesloten met Mart Stam en bestreed Thonet het recht om Breuers stoelen te produceren, omdat dit een inbreuk op Stams auteurschap van de Freischwinger zou betekenen. De Duitse rechters gaven Lorenz gelijk. Zij waren van mening dat de Freischwinger niet louter een technische vinding was maar een kunstuiting, waarvan de vorm niet voortkwam uit het materiaal. Er bestonden in 1932 weliswaar allerlei varianten op de Freischwinger die nauwelijks op Stams oorspronkelijke stalen-buisstoel leken, maar die bewezen juist "dat de vormgeving geen gevolg van de specifieke eigenschappen van het materiaal was.' Het was vermoedelijk de eerste keer dat een in serie vervaardigd voorwerp als kunstwerk werd erkend, schrijft Mácel met de voorzichtigheid die bij een wetenschappelijke publicatie past. Door deze uitspraak moest iedere Duitse Freischwinger-producent auteursrechten betalen aan Lorenz en Stam. Alleen de variant van Mies van der Rohe was volgens de rechter zo afwijkend dat het als een afzonderlijk ontwerp werd erkend.

Ironie

Mácel noemt het de ironie van de design-geschiedenis dat juist Mart Stam zich beriep op de kunstzinnige kant van zijn stoel. Stam was immers de fanatiekste verkondiger van het onder de Nieuwe Bouwers verbreide geloof dat een goede vormgever geen kunstenaar maar een ingenieur was. Het lag dan ook voor de hand dat de Nederlandse fabrikant Gispen, die vanaf 1931 Freischwingers produceerde, zich verdedigde met Stams eigen opvattingen in de processen die Lorenz tegen hem aanspande. Gispen hield een enquête onder Nederlandse architecten als Oud, Wils, Berlage, Van der Vlugt en Buijs, die in meerderheid vonden dat "de vorm van de achterpootloze stoel het gevolg was van het materiaal en technisch bepaald was.' Van Tijen, een latere compagnon van Stam, leverde Gispen nog een extra argument door te schrijven dat Stam zelf de opvatting dat de Freischwinger een kunstwerk was fel zou hebben bestreden. Gispen beweerde ook nog dat de achterpootloze stoel een collectieve uitvinding was van tekenaars van het architectenbureau Brinkman en Van der Vlugt, van wie Stam er in de jaren 1926-1928 een was. Hiervoor bestaat volgens Mácel geen bewijs, maar Gispen had met zijn argumenten wel succes bij de rechter: Stams auteurschap werd in Nederland niet erkend en dus hoefde Gispen geen rechten voor zijn Freischwingers te betalen. Ook in andere landen, zoals Denemarken en Zweden, werd Stams stoel niet erkend.

De processen tegen Gispen in 1933-'36 waren niet de laatste. Elk decennium heeft totnutoe nieuwe jurisprudentie over de Freischwinger opgeleverd. In 1979, toen Stam zich al jaren vrijwel onvindbaar in Zwitserland had teruggetrokken, eiste Breuer in een gesprek met zijn biograaf Christopher Wilk het geestelijk vaderschap van de Freischwinger weer op. Hij beweerde dat hij het idee voor de stoel tijdens een gezamenlijke treinreis aan Stam had verteld. “Uiteindelijk heb ik hem alles toevertrouwd, ik was nogal naïef”, vertelde hij. “Ziet U, ik werkte voor de mensheid, net als Stam.” Maar Breuers woorden waren niet overtuigend. In 1989, toen de Duitse rechter voor het laatst een uitspraak deed over de Freischwinger, werd het oordeel uit 1932 bevestigd: Breuers B 32 blijft in Duitsland officieel op naam van Mart Stam staan. "Het gelijk van een rechtbank is niet altijd het gelijk van de historicus, zelfs als het om metalen buisstoelen gaat', luidt Mácels vierde promotiestelling en daar valt niets tegen in te brengen.