Zieleroerselen op poederblaadjes

Opossum, themanummer "Geschreven Levens'. Erasmus Universiteit, Rotterdam. Inl. 010-4082513. Prijs ƒ 9,50.

Réveil-voorman Willem de Clercq wist van geen ophouden meer toen hij eenmaal aan zijn dagboek was begonnen: bijna dertienduizend pagina's schreef hij vol. De Utrechtse apotheker Hendrik Keettell stelde zich bescheidener op: hij gebruikte tussen 1793 en 1816 "slechts' tweeduizend poederblaadjes om zijn dagelijkse zieleroerselen op te krabbelen. Maar hij deed het tenminste zélf. De in de achttiende eeuw als vrouw ontmaskerde "soldaat' en in de gevangenis geworpen Maria van Antwerpen gebruikte een celgenote als ghostwriter.

Dit zijn drie geschiedenissen van mensen die elkaar nooit gezien, gesproken of geschreven hebben. Toch is er iets dat ze gemeenschappelijk hebben. Alledrie vertrouwen ze hun intieme gedachten - in de vorm van een autobiografie of in de vorm van een dagboek - toe aan papier. Alle drie zijn ze afkomstig uit kringen, waarin het schrijven niet beroepsmatig wordt beoefend. Alle drie ook staan ze vermeld in het chronologische overzicht van Noordnederlandse egodocumenten uit de zestiende tot het begin van de negentiende eeuw, dat de historici Rudolf Dekker, Y. Scherf en R. Lindeman onlangs publiceerden.

Dekker, Lindeman en Scherf kwamen na een jarenlange speurtocht in (meestal) ongecatalogiseerde handschriftenverzamelingen van musea, bibliotheken en particulieren op 1121 tot dusver onbekende egodocumenten uit. Met engelengeduld en precisie heeft het drietal lettercodes, geheimschriften of vaak in grote haast neergepende kladjes ontcijferd. Hierdoor hebben zij waardevolle bronnen voor toekomstig onderzoek toegankelijk gemaakt.

Dekker, verbonden aan de faculteit der Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit van Rotterdam, beschrijft de resultaten van het onderzoek op meeslepende wijze in het openingsartikel van Opossum. Het professioneel ogende en vier keer per jaar verschijnende tijdschrift staat onder redactie van studenten van dezelfde faculteit als die waaraan Dekker is verbonden. Daarmee voegt het tijdschrift zich in het rijtje van aan andere historische faculteiten van Nederland verschijnende periodieken, als Skript en Groniek. Het verschil met Skript is dat naast studenten ook hoogleraren en afgestudeerde wetenschappers het blad vol schrijven.

De redactie van Opossum greep de boekenweek aan om haar eerste themanummer te wijden aan egodocumenten. Afgezien van het dragende artikel van Dekker, staan in Opossum tamelijk oppervlakkige bijdragen over kunstenaarsbiografieën, het leven van Wittgenstein en dagboeken van Anglicaanse missionarissen in Afrika. Korte interviews met Martin van Amerongen en A.A. van den Braembussche en beknopte boekbesprekingen zorgen voor variatie.

De keuze voor het thema, dat de mooie titel "Geschreven levens' meekreeg, is even opportunistisch als teleurstellend. Bij een studentenblad verwacht je een avontuurlijker geest, meer vuurwerk, meer debat. Een veiliger en theoretisch uitgekauwder onderwerp dan het egodocument is nauwelijks voorstelbaar. Verschillende tijdschriften - te beginnen met het Tijdschrift voor Geschiedenis in 1970 - wijdden hier al speciale nummers aan. Ook zijn de afgelopen tien jaar verschillende bloemlezingen van persoonlijke documenten op het gebied van bijvoorbeeld vrouwen- en arbeidersgeschiedenis verschenen. Geen woord hierover in Opossum, en dat is kwalijk. De "geschiedenis van het persoonlijke' is in, maar dat is het al sinds lang, en niet, zoals de redactie de lezer graag wil doen geloven, pas met het verschijnen van dit themanummer.