Verdrossenheit: van alle tijden

Verdrossenheit - dat Duitse woord hoorde ik voor het eerst op een symposium over Duitsland dat begin 1979 in Den Haag gehouden werd. Het betekende - zo werd mij langzamerhand duidelijk - zoiets als onbehagen, in dit geval over de politiek. Dat was dus een verschijnsel dat toen al in Duitsland waarneembaar was en kennelijk onrust baarde.

Ja, volgens een van de sprekers op dat symposium had de democratie van de Bondsrepubliek trouwens op geen moment van haar geschiedenis kans gezien de gevolgen van deze afkeer van de burger van het politieke engagement te overwinnen. Die Verdrossenheit was blijkbaar een permanent verschijnsel.

Nu hoor je dat woord weer in de commentaren op de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in Hessen, waarbij 28,7 procent van de stemgerechtigden het liet afweten - uit Verdrossenheit, algemene onvrede met de politiek. Ook nu weer bezorgde reacties. Is daar reden voor? Of kunnen we ons troosten met de gedachte dat de Verdrossenheit van vroeger ook geen kwalijke gevolgen heeft gehad?

Laten we beginnen vast te stellen dat die Verdrossenheit geen typisch Duits verschijnsel is. Er heerst altijd onder de bevolking - iedere bevolking - een zeker misnoegen over de politiek en de politici, die zich weinig zouden aantrekken van de werkelijke noden in het land. In 1989 kwam ongeveer 20 procent van de Nederlandse stemgerechtigden niet bij de verkiezingen opdagen. In de Verenigde Staten is dat percentage nog veel groter.

Zorgwekkender is het feit dat, in een klimaat van economische en sociale crisis, de grote oppositiepartij blijkbaar geen alternatief weet te bieden. De nederlaag van de sociaal-democraten (SPD) was aanzienlijk groter dan die van de regerende christen-democraten: respectievelijk 8,4 en 2,3 procent.

Het is waar dat in Hessen de SPD aan het bewind is en dat daar de meeste steden sociaal-democratische burgemeesters hebben. De uitslag zou dus als een protest tegen de plaatselijke machthebbers uitgelegd kunnen worden. Maar daar staat tegenover dat de landelijke SPD die verkiezingen tot een testcase voor heel Duitsland had verklaard. Hierin nu heeft de oppositie jammerlijk gefaald.

Dat nu is zorgwekkend. De regering in Bonn is niet populair, in de ogen van een meerderheid schiet zij ernstig te kort in de crisis waarin de hereniging het land heeft gestort. Als nu de grootste oppositiepartij nòg minder vertrouwd wordt als redder uit die crisis, dan kan de situatie als uitzichtloos gekenschetst worden.

En toch is het falen van de sociaal-democratische partij evenmin een exclusief Duits verschijnsel. Overal - in Frankrijk, in Engeland, in Nederland, in Zweden - is zij in de neer. Ook zij heeft geen antwoorden op de vragen die de mensen - inclusief haar traditionele electoraat - bezighouden. Haar negentiende-eeuwse retoriek slaat niet meer aan.

Dit is eerder een culturele dan een politieke ontwikkeling. De Verlichting is, in haar diverse verschijningsvormen, tot een einde gekomen, werkt niet meer elektriserend. Op zichzelf is dat niet zorgwekkend. Alleen weten we niet wat daarvoor in de plaats komt, en wanneer die onzekerheid zich in Duitsland, het hart van Europa, manifesteert, is dat extra reden voor zorg.

In dit licht is het succes dat de rechtse Republikaner hebben geboekt, eigenlijk nog bescheiden te noemen. Met 8,2 procent van de uitgebrachte stemmen zijn ze te vergelijken met de NSB, die in 1935 bijna 8 procent haalde (en in 1937 op 4,2 terugviel). In elk geval rechtvaardigt hun resultaat geen paniekreacties. In Frankrijk haalt het Front National hogere percentages.

Met dat al mogen wij ons gelukkig prijzen dat in Nederland de Verdrossenheit grotendeels gekanaliseerd wordt door een partij als D66. Niet dat iemand weet waar zij precies voor staat, maar het is tenminste een partij van fatsoenlijke, democratische mensen. Maar ja, de gang van zaken in Duitsland is beslissender voor heel Europa dan die in Nederland.