Uit een namaak-ei komt nooit een kuiken; Het onvoorspelbare oeuvre van Francis Picabia

Het leven is veel interessanter dan de kunst, vond Francis Picabia, schilder, miljonair en een van de oprichters van Dada-Parijs. In Antwerpen is nu een overzicht te zien van zijn circus aan stijlen. In Parijs woont zijn weduwe. “Alle vrouwen wilden Picabia. Allemaal!”

Francis Picabia. Galerie Ronny van de Velde. IJzerenpoortkaai 3, Antwerpen. T/m 24 april. Maandag gesloten.

Een kobaltblauwe Bugatti uit 1927 en een crèmekleurige Rolls Royce "Saloon' uit 1939 domineren de parterre van galerie Ronny van de Velde in Antwerpen. Francis Picabia (1879-1953), de Al Capone van de schilderkunst, versleet meer dan honderd van dergelijke auto's. Hij verzamelde volgens overlevering vrouwen zoals een ander postzegels, stal schilderstijlen uit verschillende eeuwen en brak alle wetten van goede smaak lang voordat dit bon ton werd.

Zijn leven, zoals vastgelegd in talloze foto's en anekdotes, lijkt een aaneenschakeling van decadente feesten en flamboyante reizen: het cliché van iemand die als miljonair geboren wordt. Zijn oeuvre is zo'n circus van stijlen dat voor een overzichtstentoonstelling tot voor kort nauwelijks belangstelling bestond; pas sinds eind jaren zeventig is stijlloosheid een aanvaard artistiek "concept' geworden.

Picabia is een van de meest problematische, maar ook een van meest inspirerende schilders van deze eeuw. Wat Marcel Duchamp is voor de beeldhouwkunst, een "Fundgrube' aan controversiële, onafhankelijke ideeën, is Picabia voor de schilderkunst. In de decennia na zijn dood hebben vooral kunstenaars Picabia steeds opnieuw ontdekt en een van zijn onbekende stijlen als inspiratiebron uit de vergetelheid gehaald. Zij zijn ook de meest onvoorwaardelijke bewonderaars. Maar zelfs de grootste fan komt op een grote expositie van Picabia altijd onverdraaglijk slechte schilderijen tegen.

In Antwerpen doet dat probleem zich pas op de bovenverdiepingen voor. De begane grond, met werk van 1911 tot 1926, ziet er prachtig uit. Vooral het expressionisme is goed vertegenwoordigd met een agressieve wand van kleur. Van de Picabia's beroemdste werken uit deze periode zijn hier alleen Dresseur d'animeaux (1923) en La femme aux allumettes II (1924) te zien. De meeste schilderijen hangen in grote musea en worden niet meer verplaatst.

De eerste verdieping is een reconstructie van de sfeer van het door Picabia zelf gebouwde Château de Mai bij Cannes: antieke meubels, oranje/rode wanden vol decoraties en schilderijen uit de jaren dertig. Het zijn visioenen in dunne olieverf, in aardkleuren en zwarte lijn, en beelden uit de geschiedenis van de kunst in verschillende lagen over en door elkaar heen geschilderd, van een duistere en elegante geheimzinnigheid. Hier draait ook zijn film Entr'acte (1924), vol kinderlijke vreugde om de grappen die filmbeelden met de werkelijkheid kunnen uithalen.

Op de tweede en bovenste verdieping van galerie Van de Velde hangen enkele van de vrouwelijke naakten uit het begin van de jaren veertig, die Picabia van modieuze tijdschriftfoto's naschilderde, realistische doeken van de mooie mondaine vrouwen die zowel het modebeeld uit die tijd tonen als de "gezonde-lichaamscultuur' van het nationaal-socialisme. Centraal hangt de Gehangen Clown uit 1940/41, een doek vol sinistere symboliek, dat iedere liefhebber van schilderkunst maar beter snel passeert.

Sterrenkaarten

Picabia's laatste serie doeken is "lyrisch abstract': een donkere ondergrond met gekleurde cirkels en andere tekens, waar men in iedere verhandeling over zijn werk parallellen met sterrenkaarten in wil zien. De fallusachtige vorm die meestal door voor- of achtergrond zwerft, lijkt meer ter zake. Soms is dit prachtig, soms, zoals bij KO uit 1939, de dood in de pot.

Olga Picabia is nu 86 en woont in Parijs. Waardig zit ze vlak bij de place Vendôme op de bovenste verdieping van een appartementencomplex op de houten Afrikaanse troon, beroemd van foto's over het leven van de kunstenaar, en ontkent alles. Over niemand, zegt ze, is zoveel onzin geschreven als over Francis Picabia.

Ze is zijn derde en laatste echtgenote en woonde 28 jaar met hem samen, tot aan zijn dood. Olga Picabia gaf in tegenstelling tot Gabrielle Buffet en Germaine Everling nooit interviews en schreef nooit artikelen over Picabia's leven en werk: "Ik ben geen intellectueel'.

Ze arriveerde in 1925 op Picabia's kasteel aan de Côte d'Azur als kindermeisje, maar runde al snel het tot dat moment permanent op de rand van chaos verkerende huishouden. De berglucht uit het dorp bij Bazel waar ze geboren werd zit nog steeds op haar wangen, en wanneer een onderwerp uit de Picabia-legende ter sprake komt dat haar niet bevalt, zoals de drugs, de alcohol ("Picabia dronk nog geen glaasje wijn bij het eten!') en de vrouwen, tilt ze haar neus op en draait haar hoofd weg alsof zich plotseling een kwalijke geur door de kamer verspreidt. “Alle vrouwen wilden Picabia. Allemaal! Hij was een man waar je naar móest kijken. Daarom had hij nooit vrienden en ik nooit vriendinnen.”

In dit sobere tweekamer-appartement in het duurste quartier van Parijs geen spoor van de glamour uit de Picabia-legende. Het miljardenbezit (Cubaanse suikerplantages) van Picabia's familie, waartoe dit hele gebouw ooit behoorde, was in 1945 al verkruimeld tot deze twee zolderkamers. De laatste tien jaar van zijn leven hadden ze "geen sou', want "van zijn tentoonstellingen verkocht hij toen vaak helemaal niets'. Zijn vriendenkring was ineengekrompen door een nooit opgehelderde arrestatie na de Tweede Wereldoorlog wegens collaboratie. Hij werd maar kort vastgehouden. “Niemand heeft Picabia ooit begrepen,” zegt Olga beslist.

Toen Olga de kunstenaar in 1925 ontmoette, had hij al een eeuw schilderkunst achter de rug: een periode van romantische landschappen in negentiende-eeuws bruin (vanaf 1899) en een aantal jaren van frisse impressionistische vergezichten: honderden schilderijen, moeiteloos geschilderd, met geweldig commercieel succes. Onder invloed van Gabrielle Buffet, zijn eerste vrouw, die moderne muziek had gestudeerd, ontdekte hij het fauvisme: kleur als klank en vorm als expressie van emotie in plaats van weergave van de zichtbare werkelijkheid.

Uit de door Picasso en Braque in 1907 geïnitieerde kubistische experimenten ontwikkelde hij samen met Marcel Duchamp (zijn enige levenslange vriend) na 1911 een spektaculaire abstracte stijl: grote schilderijen met half organische, half mechanische vormen vol sensuele en seksuele associaties. Vooral tijdens de Armory-show van 1913 in New York waren die het "succès de scandale' dat beiden beroemd en berucht maakte.

Tzara

In 1919 ontmoette Picabia in Zwitserland Tristan Tzara, leider van Dada-Zürich. Dada-Parijs, dat hij samen met Duchamp en Tzara oprichtte, werd Picabia's grootste liefde en grootste teleurstelling.

"Het leven,' schreef hij met Tzara, "is veel interessanter dan de Kunst. Het Schone en Het Ware in de kunst bestaat niet. Alleen de intensiteit van een persoonlijkheid, de mens en zijn vitaliteit, direct gegoten in een werk.' Op zijn best was Dada als het ideale leven zelf: onvoorspelbaar, humoristisch, bruisend, agressief en iedere dag anders. Na enkele jaren was het echter zelf alles waar het tegen fulmineerde: autoriteit, ernst, pretentie.

Toen de Parijse Dadaïsten, ex-Dadaïsten, neo-Dadaïsten en anti-Dadaïsten elkaar in 1922 in de haren vlogen over "de enige echte Dada', hief Picabia de beweging in een officieel pamflet op en vertrok naar Zuid-Frankrijk.

Alles buiten de directe persoonlijke beleving, zoals politiek, religie, de kunsthistorische hiërarchie van stijlen en de scheiding tussen kunst en kitsch, vervulde Picabia met walging en wantrouwen: "Een namaak-ei geeft nooit een kuiken.' Daardoor doorzag hij snel en scherp de morele arrogantie van nieuwe kunstvormen. Met weerzin bekeek hij in de jaren twintig de nieuwe "democratische kunst' van Bauhaus en het Constructivisme: geometrische abstractie naar socialistische en communistische ideeen. "De arbeider wil prachtige vrouwen, Versailles, eer en respect,' vond Picabia.

Kunsthistorisch worden nu alle stijlen die Picabia sinds 1920 heeft gebruikt, gezien als Dadaïstische provocaties van de goede smaak. Maar voor Picabia was de essentie van provocatie spontaniteit en onvoorspelbaarheid. Tijdens de poëzieavonden in de eerste jaren van Dada gedroeg het publiek zich voorbeeldig: het floot, smeet met alles wat los zat en verliet halverwege de voorstelling scheldend de zaal. Toen Dada succes kreeg, was de lol er voor Picabia af. Picabia zou niets begrijpen van de nu al vierde generatie provocateurs zoals Dokoupil, Koons en Birza. “Niemand,” zegt Olga, “begrijpt dat Picabia niet schilderde om taboes te doorbreken. Hij schilderde alleen voor zichzelf.”