Slijkgarnaal verdringt inheemse Rijnfauna; Voormalig riool de Rijn knapt de laatste jaren duidelijk op

ZWOLLE, 12 MAART. Terwijl de zalm aarzelend zijn weg terugzoekt naar de Rijn, krijgt diezelfde rivier steeds meer exotische bewoners. Het zijn kleinere ongewervelde dieren, die hier oorspronkelijk niet voorkwamen en afkomstig zijn uit ver verwijderde gebieden als Azië, Nieuw Zeeland, Zuid-Amerika, de Middellandse Zee alsook de Zwarte Zee en de Kaspische Zee.

Van de immigranten zijn vooral twee soorten Aziatische mossels en de Kaspische slijkgarnaal welig gaan tieren. De laatste heeft zelfs in enkele jaren tijd de inheemse fauna op stenen langs de Rijn verdrongen.

Dit blijkt uit een onderzoek onder leiding van de Nijmeegse bioloog prof.dr. G. van der Velde. Hij zal er volgende week uitvoerig verslag van doen op een vierdaags congres in Arnhem over het ecologisch herstel van de Rijn. Afgelopen maandag gaf hij een voorproefje van zijn verhaal op een bijeenkomst in Zwolle, die gepaard ging met een excursie naar enkele uiterwaarden langs de IJssel, waar Rijkswaterstaat de natuur een handje probeert te helpen.

De Rijn, lange tijd bekend als het grootste open riool van Europa, knapt de laatste jaren duidelijk op. Dat is hoofdzakelijk te danken aan de uitvoering van het Rijnactieprogramma, kortweg RAP, door de gezamenlijke oeverstaten. Een van de doelstellingen van het in 1987 aanvaarde saneringsplan luidt: in 2000 moet de zalm, die in de jaren vijftig uit de Rijn verdween, terug zijn. Hierbij is de zalm symbool voor een grotere groep trekvissen, waaronder ook houting, spiering en fint. Hun gezamenlijke "wedergeboorte' moet de uitdrukking zijn van een algehele ecologische vooruitgang.

Het lijkt te gaan lukken, zelfs eerder dan verwacht, want er worden, zij het sporadisch, weer zalmen op de benedenstroom gevangen. Deskundigen veronderstellen dat ze afkomstig zijn uit de Sieg, een zijrivier van de Rijn achter Keulen, waar in de loop der jaren duizenden jonge zalmen zijn uitgezet. Ze trokken de oceaan op naar hun "weidegebieden' bij Groenland en moeten deels, op zoek naar hun Duitse geboortegrond, in de Nederlandse delta zijn teruggekeerd.

Dat betekent nog niet dat de zalm hier werkelijk zijn rentree heeft gemaakt. Daarvoor is meer nodig. Om deze vis na zijn omzwervingen op de Atlantische Oceaan in staat te stellen zijn paaiplaatsen op de bovenstroom te bereiken, moeten stuwen en sluizen zijn uitgerust met vistrappen. Daar wordt aan gewerkt. En die paaiplaatsen zelf zijn ook niet wat ze moeten zijn sinds de zand- en grindwinning ze grote schade toebracht. Bij dat alles moet de rivier nog aanmerkelijk schoner worden dan ze nu is.

Wat dit betreft zet prof. Van der Velde een lichte domper op de vreugde om het "Rijnsucces'. Hij kan niet ontkennen dat de waterkwaliteit de laatste jaren is verbeterd en dat behalve de visstand ook de insektenwereld tekenen van herstel vertoont. De eendagsvlieg Ephoron virgo bijvoorbeeld is na vijftig jaar afwezigheid terug in het stroomgebied en komt nu zelfs in grote massa's voor.

Tegelijk moet hij vaststellen dat de waterkwaliteit sterk blijft verschillen met die van omstreeks 1900. De gehaltes aan fosfaat en nitraat (stikstof) zijn respectievelijk drie en tien keer te hoog, de zoutconcentratie ligt een factor 15 boven normaal, terwijl de watertemperatuur enkele graden hoger is door het veelvuldig lozen van koelwater. Bovendien worstelt vooral Nederland met een omvangrijke erfenis uit het verleden in de vorm van vervuild slib op de waterbodem en gaat de aanvoer van giftige PCB's nog altijd door.

Het zijn deze omstandigheden die volgens Van der Velde al die exoten in de sector ongewervelde dieren aantrekken. Ze blijken beter dan inheemse soorten opgewassen tegen vervuiling, zuurstofgebrek, ziekten, zout en warmte. Vooral de Kaspische slijkgarnaal ziet hij als een bedreiging. Het beestje bouwt modderige kokertjes op stenen langs de Rijn en dat leidt ertoe dat driehoeksmosselen massaal afsterven; hun larven vinden haast geen kale stenen meer om zich op te vestigen. “En hiermee”, vat de hoogleraar zijn zorgen samen, “verdwijnt belangrijk voedsel voor duikeenden en paling.”

Het is hem opgevallen dat bijvoorbeeld die slijkgarnaal sinds 1987 in de rivier is gaan “woekeren”, en hij spreekt van een “opmerkelijke coïncidentie” met de rampzalige brand bij het Zwitserse chemieconcern Sandoz in november 1986. Die brand had tot gevolg dat met het bluswater een reusachtige gifgolf de Rijn afzakte, waardoor in grote delen van de rivier de fauna werd uitgeroeid. “Zo onstond er veel open ruimte voor immigranten”, zegt Van der Velde.

Ironisch genoeg was diezelfde ramp aanleiding tot een krachtiger sanering van de Rijn. Omstreeks 1970 had de waterkwaliteit door industriële en andere lozingen een dieptepunt bereikt; daarna werd de rivier langzaam schoner met de nadruk op langzaam. Pas na "Sandoz' kwam dat proces goed op gang door de aanvaarding, een jaar later, van het Rijnactieprogramma.

Dit plan voorziet in een halvering van de lozing van 46 stoffen in 1995 ten opzichte van 1985. Op de lijst staan voornamelijk zware metalen en chemicaliën, waaronder een reeks bestrijdingsmiddelen, maar ook fosfaat en stikstof. Een aantal stoffen is bovendien opgenomen in het Noordzee-actieprogramma, dat een vermindering van 70 procent in 1995 tot doel heeft.

Rijkswaterstaat heeft inmiddels een tussenstand opgemaakt en verwacht op grond daarvan dat voor 25 van die 46 stoffen de doelstelling zal worden gehaald. De reductie van de lozingen door de industrie blijkt op schema te liggen, maar diffuse bronnen vormen een belangrijk knelpunt. Daarbij gaat het om de vervuiling van de Rijn en zijrivieren door bestrijdingmiddelen en meststoffen uit de landbouw en door zware metalen die met het rioolwater van steden en dorpen worden afgevoerd.

Een halvering van de fosfaatvracht in 1995 wordt mogelijk geacht als twee grote, fosfaat lozende kunstmestfabrieken in de Rijnmond (Hydro Agri en Kemira Pernis) doen wat hun opgedragen is: ze zullen in 1994 een interne sanering moeten doorvoeren. Voor stikstof zijn de verwachtingen ronduit somber en dat heeft weer te maken met het uitspoelen van die meststof uit landbouwgronden.