Prijsafspraken

Het Nederlandse mededingingsrecht is tot dusverre in deze rubriek niet ter sprake gekomen. Dat komt niet omdat het er niet zou zijn; het Nederlandse mededingingsrecht is zelfs ouder dan dat van de EG. In Nederland is vanaf 1946 kartelbeleid gevoerd, eerst op grond van het Kartelbesluit 1941, later op grond van de Wet Economische Mededinging die in 1958 in werking trad. Maar daarbij is het lange tijd gebleven: een levendige uitvoeringspraktijk heeft de wet in Nederland niet gehad.

De meest vergaande maatregel is het verbod geweest dat in 1964 werd ingevoerd op verticale prijsbinding. Daaronder wordt verstaan iedere regeling die handelaren zou verplichten produkten te verkopen tegen prijzen die zijn vastgesteld door de producent of leverancier van die produkten. Een voorbeeld van verticale prijsbinding staat elke dag op de voorpagina van die kranten, die vermelden tegen welke prijs de dageditie in Apeldoorn of Barcelona gekocht kan worden.

Als de uitgevers van kranten samen de verkoopprijs van hun produkt zouden vaststellen, dan spreekt men van collectieve verticale prijsbinding. Het maken van zo'n collectieve prijsafspraak is evenwel in 1964 verboden. Zou een individuele uitgever alleen, dat wil zeggen zonder overleg met andere uitgevers, voor zijn eigen krant een verkoopprijs vaststellen die in het verdere distributieproces moet worden gerespecteerd, dan spreekt men van individuele verticale prijsbinding. Ook het maken van zo'n prijsafspraak is sedert 1964 verboden, zij het alleen voor bepaalde duurzame consumptiegoederen. De krant wordt in Nederland niet tot die categorie gerekend. Wel: elektrische huishoudelijke apparaten, radio- en tv-toestellen, compact disks, walkmans, dicteerapparaten en dergelijke. Veel controle op deze verbodsbepalingen is er sedert 1964 evenwel niet geweest. Niet geheel ten onrechte heeft iemand de Wet Economische Mededinging wel eens omschreven als “'s lands grootste vrijstellingsverordening”.

Mogelijk is deze typering binnenkort niet meer op zijn plaats. De laatste jaren is - in overheidskringen - steeds sterker gepleit voor een krachtiger nationaal mededingingsbeleid. En daarmee is in elk geval een zichtbaar resultaat geboekt: vorige maand verscheen in het Staatsblad het Besluit Horizontale Prijsbinding, dat op 1 juli aanstaande in werking treedt. Als men op de toelichting mag afgaan, is het nu menens: prijskartels behoren, met marktverdelingsafspraken, tot de zwaarste en schadelijkste karteltypes, aldus het ministerie van economische zaken.

In een open en dynamische markteconomie heeft op basis van prijzen de selectie plaats van wie aanbiedt en wie niet, wie koopt en wie dat niet doet, wie toetreedt tot de markt en wie faalt en moet uittreden. Prijsafspraken verstoren dit proces van selectie en ordeningen leiden tot hogere prijzen dan noodzakelijk is; de afnemer betaalt te veel en krijgt te weinig. Daarom is met ingang van 1 juli het jachtseizoen op prijsafspraken voor geopend verklaard.

Het verbod op prijsafspraken is zo ruim geformuleerd dat daaronder zowel verticale (uitgever/distributeur) als horizontale (uitgever/uitgever) prijsafspraken vallen. Omdat voor verticale afspraken, zoals opgemerkt, al sedert 1964 afzonderlijke regels gelden, zijn deze afspraken vervolgens van de nieuwe regeling uitgezonderd. Voor deze wat ingewikkelde aanpak is gekozen om duidelijk te maken dat zal worden opgetreden tegen elke horizontale prijsafspraak in de ruimste zin van het woord. Het verbod geldt zowel voor afspraken over verkoopprijzen als voor inkoopprijsregelingen.

Ondernemers die hun krachten bundelen en bij voorbeeld gezamenlijk goederen en diensten aankopen mogen daarbij geen onderlinge prijsafspraken maken. Dit laatste verbod geldt echter niet wanneer bij geen van de betrokken ondernemers meer dan honderd personen werkzaam zijn. De bedoeling van deze uitzondering is dat gezamenlijke inkoopinspanningen door het midden- en kleinbedrijf buiten schot blijven. Een andere belangrijke uitzondering geldt voor (zuiver nationale) franchise-netwerken: franchise-nemers die zich naar het publiek toe als uniforme schakels in een groter geheel presenteren (maar in feite geheel zelfstandige ondernemers zijn) mogen de franchise-produkten tegen gezamenlijk vastgestelde prijzen aanbieden. Eveneens buiten schot blijven prijsafspraken, wanneer daarbij niet meer dan acht bedrijven betrokken zijn en hun gezamenlijke omzet niet meer dan vijf miljoen gulden bedraagt. Deze laatste grens is natuurlijk tamelijk willekeurig getrokken, maar de bedoeling is duidelijk: de jacht op ondermaatse afspraken is niet zinvol en kan daarom maar beter achterwege blijven.

Of met dit verbod op prijsafspraken het Nederlandse kartelbeleid inderdaad na een lange winterslaap tot leven komt, moet natuurlijk nog worden afgewacht. Maar de tekenen wijzen er wel op dat het dit keer niet bij woorden blijft. Er is ook nog een algemeen verbod in voorbereiding op marktverdelingsafspraken, terwijl de toezichthoudende taak van de Economische Controle Dienst (ECD) wordt uitgebreid. Het heeft er in elk geval de schijn van dat in Nederland een actief mededingingsbeleid van de grond komt.