"N-Korea werkt al jaren aan bom'

Het Non-proliferatieverdrag voor kernwapens (NPV) trad in 1970 in werking voor een periode van 25 jaar (tot 1995). De naleving ervan wordt gecontroleerd door het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) te Wenen. Doel van de IAEA-inspectie is te voorkomen dat vreedzame nucleaire techniek voor militaire doeleinden wordt gebruikt. Het agentschap houdt daarom onder meer nauwkeurig bij hoeveel uranium een land in circulatie heeft en hoeveel "bijprodukten' daarbij vrijkomen, waaronder met name plutonium, dat in een kernwapen is te gebruiken.

Tot nu toe hebben zich 147 landen aangesloten bij het verdrag. Tot de landen die weigeren het te ondertekenen behoren Argentinië, Brazilië, Chili, Cuba, Spanje , India, Israel, Pakistan en de Verenigde Arabische Emiraten. Daarnaast is er een aantal landen dat het NPV weliswaar heeft ondertekend, maar weigert het te ratificeren. Daartoe behoren China, Egypte, Koeweit, Singapore, Turkije en Zwitserland. Frankrijk heeft het NPV pas in 1991 ondertekent, maar voert het sinds 1976 wel uit. Rusland heeft het verdrag als "erfgenaam' van de Sovjet-kernmacht ondertekend. De Oekraïne, Wit-Rusland en Kazachstan hebben zich in principe bereid verklaard het verdrag te ondertekenen.

Aangenomen wordt dat niet-ondertekenaars als Israel, India, Pakistan en Zuid-Afrika over een of meerdere kernwapens van enige soort beschikken - variërend van een soortgelijk wapen als de bom die de Verenigde Staten in 1945 afwierpen op Hiroshima, tot een waterstofbom. Van Irak, Iran, Brazilië en Argentinië wordt aangenomen dat zij belangrijke stappen hebben gezet op weg naar de produktie van een eigen kernwapen. Tot die landen behoort ook Noord-Korea.

Voor een kernbom is hetzij verrijkt uranium, hetzij plutonium nodig. Plutonium komt vrij in kernreactoren en kan gewonnen worden uit gebruikte brandstofstaven. Westerse militaire analisten gaan ervan uit dat Noord-Korea in de jaren zestig principieel gekozen heeft voor de ontwikkeling van een kernwapen waarin plutonium wordt gebruikt, omdat de technologie voor het verrijken van uranium voorlopig te ver buiten zijn bereik zou liggen.

Een reactor in het "speciale district' bij Yongbyon zou de benodigde plutonium thans leveren. De bouw van deze reactor - met een relatief kleine capaciteit van 30 megawatt - zou als bijdrage aan de nationale elektriciteitsvoorziening economisch onaantrekkelijk zijn en valt alleen te verklaren uit het verlangen naar plutonium. Deze centrale zou sinds 1987 in bedrijf zijn en in theorie per jaar zo'n acht kilo plutonium kunnen produceren, voldoende voor een kernwapen. De reactor maakt - evenals de zeer kleine researchreactor die het in de jaren zestig verwierf - gebruik van natuurlijk uranium, dat in Noord-Korea ruimschoots voorhanden is.

In mei vorig jaar gaf Noord-Korea voor het eerst toe plutonium te hebben geproduceerd, maar het zou slechts om “een kleine hoeveelheid” gaan die was “bestemd voor onderzoeksdoeleinden”.

Amerikaanse inlichtingendiensten meldden enkele jaren geleden andere aanwijzingen gevonden te hebben dat Noord-Korea vordert met de produktie van een kernwapen. Zo zou Noord-Korea conventionele springstoffen testen, die nodig zijn om de nucleaire lading te imploderen, waardoor de kernreactie op gang komt. Daarnaast werd toen voor het eerst gesproken over een derde reactor met een capaciteit van ten minste 50 megawatt, die niet met het nationale elektriciteitsnet zou zijn verbonden. In april vorig jaar gaf Noord-Korea het bestaan van deze reactor toe. Ten slotte zou Noord-Korea nu ook langs de andere weg - het verrijken van uranium - een kernwapen trachten te verwerven. In het zuiden, nabij Pyongsan zou zich een verrijkingsfabriek bevinden.