Mijn dood kostte nog geen tien francs; Herve Guibert: eerlijk en genadeloos

De laatste boeken van de aan aids overleden schrijver Hervé Guibert hebben in Frankrijk veel stof doen opwaaien. Aids is voor Guibert niet een argument in een ideële discussie over seksuele vrijheden, het is een virusziekte en hij heeft pech gehad. Door die houding ademt zijn werk een weldadige onbevangenheid.

Hervé Guibert: Voor de vriend die naliet mij het leven te redden. Vertaald door Jeanne Holierhoek. Uitg. SUN. 223 blz. Prijs ƒ 34,50. Hervé Guibert: Le Paradis. Uitg. Gallimard, 140 blz. Pijs ƒ 38,10.

In Le Paradis, het boek dat de Franse schrijver Hervé Guibert enkele maanden voor zijn dood voltooide, valt het woord "aids' pas op pagina 89. Tweederde deel van het boek heeft de lezer in de veronderstelling kunnen verkeren een tijdloze roman in handen te hebben, maar dan dringt de actualiteit binnen. Een tiental bladzijden eerder wordt weliswaar een ontmoeting tussen de presidenten Bush en Mitterrand gememoreerd, maar dat realisme blijft nog betrekkelijk onopgemerkt. Pas het, ook in het Frans, vier letters tellende woord doet twijfel rijzen over het literaire genre waartoe Le Paradis behoort. En naast de twijfel is er bijna opluchting. Vanwege de ingeloste verwachting.

Guibert stierf in december 1991, op 36-jarige leeftijd, aan de gevolgen van aids, in zijn geval een relevante mededeling. Twee jaar voor zijn dood publiceerde hij het geruchtmakende À l'ami qui ne m'a pas sauvé la vie, dat onlangs onder de titel Voor de vriend die naliet mij het leven te redden in vertaling verscheen bij uitgeverij SUN. Guibert noemde dat boek net als Le Paradis een roman maar de grote belangstelling die het kreeg gold juist het strikt autobiografische karakter ervan. Een dagboek is Voor de vriend... niet maar het verhaalt over feitelijke gebeurtenissen en reële personen. Duidelijk herkenbaar is bijvoorbeeld de filosoof Michel Foucault, die in 1984 overleed aan "abcessen in de hersenen', en over wie Guibert in zijn boek vertelt dat hij homoseksueel was, van wisselende contacten en van sm-spelletjes hield, en aan de gevolgen van aids en aan niets anders overleed. De hersenabcessen waren een verzinsel van de preutse nabestaanden.

Voor de vriend... is in woede geschreven, en in haast - wat de zo nu en dan lichtelijk hysterische toon verklaart. Guibert schrijft soms zinnen waarin hijzelf verstrikt raakt en de lezer dus ook. Een pagina zonder punt is geen uitzondering. Ook gebruikt hij beelden die zijn mededelingen eerder vager maken dan verhelderen en hij neemt soms te weinig afstand van zijn eigen leven, waardoor feiten en personen vermeld worden die de lezer niets zeggen en die het begrip niet ten goede komen en overbodig zijn. Zo vind ik de hoofdstukken lange uitweidingen over Marine, in wie iedereen de actrice Isabelle Adjani schijnt te herkennen, vervelend en onbelangrijk: alleen degenen die haar persoonlijk kennen of geïnteresseerd zijn in het wel en wee van een beroemd pruillippend vrouwtje, zullen er plezier aan beleven.

Toch is Voor de vriend... een monumentaal boek. Het is eerlijk, onsentimenteel en genadeloos. Men heeft Guibert verweten indiscreet te zijn over (herkenbare) anderen, over zijn vrienden (die zich er zelf niet over opwonden) en natuurlijk vooral over de in Frankrijk duizelingwekkende beroemdheid Foucault. Maar het is typerend dat de critici zich dan meestal blijken te storen aan mededelingen over seksuele gewoonten. Men zou evengoed een vogel kunnen verwijten dat hij vliegt: de bekentenis is het fundament van Guiberts schrijverschap. En daarmee is vooral gezegd dat hij zichzelf niet spaart.

Evenwicht

Scherp en direct maar gelukkig ook niet zonder stilering vertelt hij over zijn angst dat hem hetzelfde lot als zijn vriend en ex-minnaar Foucault te wachten staat en met ironie en gelukkig zonder pathos gunt hij zijn lezer zicht op de gemoedsstemmingen die het uiteindelijk bevestigde doodvonnis bij hem teweeg brengt. Hij bereikt een mooi evenwicht tussen zo te zeggen "praktische informatie' over medicijnen, kwalen, dokters- en ziekenhuisbezoeken en de levensbeschouwelijk getinte observaties van een ter dood veroordeelde.

Hij spreekt met de grootst mogelijke openheid over zijn ziekte zonder de domheid te begaan te moraliseren. Aids is voor hem niet een argument in bijvoorbeeld een ideële discussie over seksuele vrijheden, het is een virusziekte en hij heeft pech gehad. Door die houding ademt zijn boek een weldadige onbevangenheid en, wat op hetzelfde neerkomt, intelligentie. Door voorbij te gaan aan de morele beklemming die de ziekte met zich mee kan brengen kan hij er in alle eerlijkheid over schrijven.

In nummer 86 van de 100 kortere of langere hoofdstukken waaruit het boek bestaat meldt hij: "Op dat moment zag ik mezelf toevallig in een spiegel, en ik vond me heel erg mooi, hoewel ik al maanden alleen nog een geraamte zag. (-) ik moet gewend zijn geraakt aan het uitgeteerde gezicht (-) en het moet me, toppunt of einde van mijn narcisme, gelukt zijn ervan te houden.' En als hij, na maandenlange vergeefse moeite, er eindelijk in slaagt de hand te leggen op het medicijn Digitaline dat hem een pijnloos einde moet garanderen, is er de hulpvaardige apothekeres die "een stukje pakpapier om het medicijn (doet), mijn dood kostte nog geen tien francs. Stralend en plechtig wenste ze me een prettige dag, alsof ze de medewerkster van een reisbureau was die me zojuist een reis om de wereld had verkocht (-)'

Voor de vriend is een literaire afrekening genoemd, omdat de vriend uit de titel reëel is, net als het verwijt. "Bill', zoals Guibert hem noemt, is een schatrijke Amerikaanse producent van farmaceutische produkten. Uitgerekend hij, een vriend van de schrijver die inmiddels te horen heeft gekregen dat hij aids heeft, beschikt over de mogelijkheid hem toe te laten tot een proef met een door Jonas Salk, ontdekker van het poliovaccin, ontwikkeld medicijn. Om allerlei redenen, waarvan onzekerheid over de effectiviteit van het vaccin nog de minste lijkt, houdt Bill Guibert aan het lijntje.

Deze verwarrende geschiedenis beslaat het laatste deel van het boek en bepaalt uiteindelijk behalve de titel ook de toon ervan. Niet het verraad van Bill is van belang, doorslaggevend is dat duidelijk wordt hoezeer hoop iemands leven kan gaan beheersen - en verlammen. Guibert belandt in de akelige positie dat hij een onbetrouwbare klootzak te vriend moet zien te houden - ten behoeve van een volkomen onzeker doel. In zekere zin maakt de Bill-episode Voor de vriend ook "kleiner', de ondanks alle wanhoop, pijn en angst overheersende relativerende toon wordt er geweld door aangedaan.

Thriller

Na Voor de vriend, dat gemakkelijk Guiberts laatste boek had kunnen zijn, schreef hij er nog drie. Le Protocol compassionel en Cytomégalivirus gaan beide over aids, het onlangs gepubliceerde Le Paradis niet, althans niet in aanzet. Het lijkt erop dat Guibert zichzelf en zijn lezers heeft willen bewijzen, dat hij niet alleen chroniqueur van een ziektegeschiedenis is, dat wil zeggen slachtoffer van een onontkoombare obsessie, maar ook een omwille van zichzelf geschreven roman kon scheppen.

Het boek begint als een thriller, het had een zoektocht à la Patrick Modiano kunnen worden. Jayne, vriendin van de ik-figuur, wordt levenloos aangetroffen op de koraalriffen van het Caïribische Martinique. Haar buik is opengescheurd, "werkelijk niet meer dan een brij', en de "ik' wordt prompt beschuldigd van moord. Volgt een flash-back van de vooral seksueel geladen verhouding tussen Jayne en de schrijver. Spelletjes met een revolver, waarvan hij de loop tussen haar schaamlippen duwt, het beeld van taboeloze erotiek.

De beschuldiging loopt intussen op niets uit, al was het maar omdat identificatie van Jayne onmogelijk is. Ze blijkt paspoort noch geboorteland te hebben, geen spoor te bekennen, ze heeft eigenlijk niet bestaan, haar dood is de nieuwe vorm van een al bestaande status quo. Bijna ongemerkt ontdoet Guibert zijn boek van de door hemzelf opgeroepen spanning van de onopgeloste dood, mogelijk moord, van zijn alleszins memorabele geliefde. Hij verhaalt over de reizen die zij maken, naar zal blijken niet zozeer om hun gezamenlijk leven in herinnering te roepen en weer terug te keren naar Martinique, naar vandaag, naar het raadselachtige einde van een ongeregistreerd leven - maar om in Afrika uit te komen.

Afrika - het land waarin een willekeurige vader die men vraagt wat zijn zoon mankeert zal antwoorden: "Le sida'. Afrika, het land van de groene meerkat, vermeende bron van het HIV-virus, armzalige bakermat van een ramp waartegen ook het Westen weerloos is. Temidden van passages over Malinese vliegvelden, chlamida-infecties en zwarte, jaloezie-opwekkende belagers van zijn vriendin lijkt Guibert het spoor langzaam bijster te raken.

Queeste

"Roman', zoals op het omslag staat aangegeven, is Le Paradis slechts tot, ik schat, halverwege. Daarna wordt het boek de weerslag van een gedroomde queeste, van een bijna hallucinerende woordenreeks, vol herhaalde verwijzingen naar Afrikaans bier, miskramen, koortsen en eenzijdige verlammingen. Aan de laatste aandoening lijdt de ik-figuur; aanvankelijk wordt de medische speurtocht naar de oorzaak van de kwaal nog samenhangend beschreven, later warriger en weer later in het geheel niet meer. Dan wordt alleen zo nu en dan de retorische vraag gesteld of de lamme ledematen nog in orde komen.

Afrika - het land waar Rimbaud zijn goddelijke dichterschap trachtte te vergeten met winstgevende ivoorjacht. Herhaaldelijk keert ook zijn naam terug in de laatste passages van Le Paradis, uiteindelijk zelfs als de afkorting Rimb. Rimb. heeft Guibert "niets geleerd over Afrika, behalve dat men erheen gaat om kapot te gaan, om zichzelf te verliezen, om zichzelf van de kaart te vegen'. Roussel heeft hem evenmin iets geleerd over Afrika, sterker, die is er zelfs niet heen gegaan omdat het niet eens bestaat. De laatste regels van Le Paradis luiden: "Al het exotisme van Afrika is in zichzelf verschroeid. Bij mijn terugkeer naar Mali, dacht ik te begrijpen dat de mens niets maar dan ook niets was. Ik had net zo goed kunnen zeggen dat hij alles was.'

Guibert heeft vlak voor zijn dood nog over iets anders dan over aids willen schrijven. Een roman. Dat is hem niet gelukt. Hij schreef een allegorie, een verdichtsel van verwarring, angst en paniek. "Als ik niet schrijf, ga ik dood,' zegt hij in Le Paradis. Daarom heeft hij het geschreven en daarom is het boek misschien nog een belangrijker getuigenis dan de drie die eraan vooraf gingen.