"Miau' opent nieuw Theater aan het Spui van Hertzberger in Den Haag; De winnaars zijn de leugenaars

Voorstelling: Miau door Theater aan het Spui. Tekst en regie: Guusje Eybers. Spel: Gees Linnebank, Elsje de Wijn, Xavier Martin e.a. Zang: Mariëlle Vester, piano: Ank Geul. Decor: Tom Schenk. Gezien: 11/3 Theater aan het Spui, Den Haag. T/m 3/4 (di-za) aldaar.

De bezoeker van het gloednieuwe Theater aan het Spui die de lichte en vrolijke foyer via een loopbrug verlaat, stapt opeens een duistere wereld binnen. Een aardedonkere gang, waar een opzichtig buizenstelsel doorheen loopt, voert naar een catacombe-achtige ruimte. Somber, kaal, op het armoedige af oogt deze Grote Zaal - precies zoals de door architect Herman Hertzberger geconsulteerde theatermakers het wilden hebben. Een eenvoudige zwarte doos, meenden zij, biedt immers veel meer mogelijkheden dan de klassieke schouwburg met zijn hinderlijke pilaren en balkonnetjes.

Bij Miau, de openingsproduktie van het Theater aan het Spui, had zo'n klassieke entourage echter niet misstaan: het stuk speelt zich voor een groot deel in een ouderwetse schouwburg af. Al in een van de eerste scènes zien we hoe de drie dames Miau - een bijnaam die zij aan hun katachtige uiterlijk te danken hebben - op een Iberisch schellinkje zitten te zwijmelen bij een zoetsappige opera-aria. Een gammele steiger fungeert als balkon, dat in de Haagse zaal nadrukkelijk ontbreekt.

Regisseuse Guusje Eybers baseerde haar toneelstuk op de gelijknamige roman van Benito Pérez Galdós (1843-1920), een Spaans schrijver die met Charles Dickens vergeleken wordt omdat hij de gewone mensen uit zijn land, met name de Madrilenen, zo realistisch en sociaal bewogen wist te portretteren. Hoofdpersoon in Miau is een ontslagen ambtenaar, die niet alleen lijdt onder de corruptie en willekeur van het ambtelijke apparaat, maar ook onder de drie luimige, slechts in opera en uiterlijk vertoon geïnteresseerde dames - een echtgenote, dochter en schoonzuster - die hij voeden en huisvesten moet. Integriteit, zo leert de werkzoekende al spoedig, wordt genadeloos afgestraft; de winnaars zijn de leugenaars en intriganten.

Eybers, die kennelijk niet van het gebruik van plat realisme beticht wil worden, gaat op een baldadige manier met de roman van Galdós om - en wat zij daarmee bereikt is oneindig veel platter en banaler dan de bron waaruit zij putte. Zij bootst dan wel een oubollige Spaanse sfeer na, compleet met heiligenbeeldjes, zarzuela's en zwierige rokken, maar tegelijk laat zij voortdurend zien dat zij lak heeft aan die negentiende-eeuwse santekraam. Zo kijken sommige personages aan één stuk door tv, terwijl anderen er een seksuele moraal op na houden die regelrecht geïnspireerd lijkt door de popster Madonna. De biecht van de jongste der drie Miau's bijvoorbeeld loopt uit op een woeste scène waarin zij zichzelf onder de ogen van de priester met een knots van een kaars bevredigt. Met een serieuze aanval op de r.k.-kerk heeft dit alles weinig te maken, maar waar is zo'n door de videoclipcultuur allang tot cliché geworden scène dan wel goed voor? Om de vele notabelen in de zaal een beetje te jennen misschien?

“Denk eens aan je publiek, je moet ze een beetje opgeilen, jongen!"' roept De Schrijver uit, een erotomaan personage dat in een rood olievat woont en van daaruit het gebeuren op het podium becommentarieert. Zo zijn er nog wel meer toespelingen op het Haagse publiek en de Haagse gemeentepolitiek te vernemen, en sommige daarvan zijn best aardig. De opmerking over konkelende ambtenaren, die "maar bouwen en bouwen, hier een nieuw stadhuis en daar een nieuw theater' kan in een openingsvoorstelling natuurlijk niet uitblijven.

Het is alleen jammer dat vrijwel geen enkele uitspraak op normale spreektoon wordt gedaan. De personages, die toch allemaal al een oververhit gemoed hebben, staan, zitten en liggen zo ver van elkaar af, op trappen, stellages en bruggen, dat zij elkaar wel moeten toeschreeuwen. Maar als de acteurs elkaar zelfs al amper kunnen bereiken, welke boodschap bereikt het publiek dan nog? Van de vijftien spelers zijn er maar twee die het stuk boven het niveau van de platvloerse klucht uittillen: Mariëlle Vester als de mooi zingende operazangeres en Gees Linnebank als de werkloze ambtenaar don Ramón Villaamil. Op het moment dat deze al bijna bejaarde man de kogels voor het geweer zoekt waarmee hij zelfmoord wil plegen, ontwikkelt zich de eerste echt tragikomische scène van de avond. “Ik had altijd gedacht dat kogels rond waren,” mompelt hij wanneer hij in een dichtgeknoopte zakdoek eindelijk een paar langwerpige patronen vindt. Even later gaat het schot af dat de getergde werkzoekende uit zijn lijden verlost. Het mag cynisch klinken, maar het is jammer dat een zelfmoord meestal pas op het eind van een toneelstuk plaatsvindt. Nu moet het publiek heel lang wachten op een boeiende scène.