Mensen als jullie verdienen geen appelrups

Het hagelde en het sneeuwde toen ik met mijn vriend Jan door de duinen wandelde.

Er was geen mens te bekennen. De konijnen, de vossen en de vogels hielden zich ook schuil. In de verte hoorde je alleen het naargeestige gekrijs van de meeuwen. Ik haalde een appel uit mijn zak en nam er een hap uit. Op hetzelfde moment zag ik iets uit de appel vallen. Voor mijn voeten lag een rups. Het was een grappige, lichtgroene rups. Bij het aanraken veranderde hij ogenblikkelijk in een rolletje. Toen we verder liepen, zei Jan: “Ik ben blij dat ik geen appelrups ben.” “Hoezo?”, vroeg ik. “Een appelrups heeft een keihard leven”, zei Jan. Om te beginnen loop je als rups niet zo snel dus duurt het wel even voor je een appel met een voor bewoning geschikt klokhuis hebt gevonden. Eindelijk is het dan zover. Je nestelt je gezellig in je appel, je neemt af en toe een hapje uit de eetbare wanden en verder lig je een beetje te suffen. En ineens doemen er een stel monsterlijk grote ivoren snijvlakken op, die je woning doorklieven: mensentanden dus. En voor je het weet lig je dakloos in een besneeuwde duinpan. En dan heb je als appelrups nog geluk gehad want je had ook nog door midden gebeten kunnen worden.”

Door Jan zijn verhaal begon ik steeds meer medelijden met de in de vrieskou achtergebleven appelrups te krijgen. “Zullen we teruggaan om hem op te halen?”, zei ik. “Het zou wel een aardig gebaar zijn tegenover zo'n ontheemde rups”, zei Jan. We maakten rechtsomkeert en zochten op het pad naar een lichtgroen rolletje rups. Maar we konden het niet meer terugvinden. Wel zagen we verse afdrukken van rubberlaarzen en hoefjes op het pad. “Voor het zoeken naar in de sneeuw verdwaalde appelrupsen heb je eigenlijk een Sint Bernhardshond nodig die een vat appel-cider draagt”, zei Jan. “Het drinken van appel-cider kan een door de kou bevangen appelrups misschien het leven redden.”

We besloten de sporen te volgen van de wandelaar op de rubberlaarzen die misschien onderweg de appelrups was gepasseerd.

Na een tijdje zagen we een vrouwtje lopen met een geit aan een touw. De geit droeg een bril die met een stuk elastiek aan zijn kop was vastgemaakt. Ik herkende Moontje Iezegrim met haar geit Victor. Moontje woont aan de buitenkant van het dorp in het Donkere Laantje. Als Moontje iemand op haar erf ziet verschijnen, pakt ze haar katapult en schiet ze groene erwten op de bezoeker af. Groene erwten lijken onschuldige kogeltjes maar Moontje schiet ze precies onder je oog. De postbode heeft ze al drie keer een blauw oog geschoten.

“Ik begrijp niet wat jullie hier te zoeken hebben”, zei Moontje toen ze ons zag. “Als we geweten hadden dat het zo koud was, waren we thuisgebleven”, zei ik. “Dat was veel beter geweest”, zei Moontje. “Victor en ik gaan alleen uit wandelen als het beestenweer is want ik wil onderweg geen mens zien. En nu kom ik jullie tegen, bah.” “Moontje, heeft Victor zulke slechte ogen?”, vroeg Jan terwijl hij de geit bekeek wiens brilleglazen zo dik waren als de bodem van een jampot. “Waar bemoei je je mee, je draagt zelf een bril. En waarom zou een bejaarde, slechtziende geit als mijn Victor dan geen bril mogen dragen”, zei Moontje tegen Jan. “Daar zit iets in”, zei Jan. “Ik ben anti-mens en pro-dier”, zei Moontje. “Ik heb ook maar twee vrienden en dat zijn Victor en de Zee. We zijn nu onderweg naar vriend Zee, goedemiddag.”

“Moontje”, riep ik haar achterna, “we zijn op zoek naar een vermiste appelrups. Ben jij onderweg misschien een lichtgroen rupsenrolletje tegengekomen?” Moontje stond stil en opende haar linkerhand. Op haar handpalm lag een opgerolde, lichtgroene rups. “Is die rups van jullie?”, vroeg ze streng. “Ach, wij hebben hem ook maar gekregen”, zei Jan. “Jullie krijgen je rups niet meer terug”, zei Moontje beslist. “Ik heb een zolder vol onbespoten moesappels en daar kan best nog een rups bij. Mensen als jullie, die zo'n dier rustig in een duinpan laten doodvriezen, verdienen geen appelrups. Jullie lijken wel hondenbezitters die hun hond aan een boom vastbinden en dan met vakantie gaan.”

We wilden Moontje uitleggen hoe de vork in de steel zat, maar ze luisterde al niet meer. Ze beende met Victor weg door het verlaten duinlandschap in de richting van de kust waar vriend Zee op haar wachtte.