Malaise industrie deert ABN Amro nauwelijks

ROTTERDAM, 12 MAART. ABN Amro heeft deze middag forse hogere winstscijfers over 1992 bekendgemaakt. De nettowinst steeg met bijna tien procent tot 1,7 miljard gulden. Dat is mooi voor de 56.000 werknemers van de bank. Dat is ook mooi voor de relaties die baat hebben bij een gezond bankbedrijf. Tegelijk lijkt die winstgroei ook macaber: terwijl de Nederlandse industrie in mineur is, boekt de dienstverlener records. Is de dood van de industrie het brood van de bank?

De afgelopen maanden is ABN Amro steeds in het nieuws geweest als huisbankier van de door malaise getroffen Nederlandse industrie: Fokker, DAF, Hoogovens, KLM en Philips. Vaak is met het mes op tafel onderhandeld met de overheid.

ABN Amro kon daarbij op enig begrip rekenen. Een bank kan tenslotte geen industrie overeind houden. Dat is haar taak niet en daarvoor schiet de stroppenpot, de voorziening algemene risico's, tekort. Maar nu blijkt dat de positie van ABN Amro zo goed is - de voorzieningen voor debiteurenrisico's zijn zelfs gedaald - kan men vraagtekens zetten of dat begrip niet te groot geweest is. Had Economische Zaken dan toch gelijk door ABN Amro zo lang in het onzekere te laten over steun voor DAF? Had de bank niet meer moeten doen voor de industrie?

Het antwoord op die vraag is zeker niet eenvoudig. Belangrijk bij de beantwoording is op welke wijze ABN Amro de winstgroei tot stand heeft gebracht. Als die winst is gestegen door het formuleren van extra rendementseisen op het gebied van kredietverlening dan zou men de bank onder vuur kunnen nemen. Dat is niet het geval. ABN Amro maakt zeker geen grote winsten op kredietverlening. De marges op de kredietverlening zijn in vergelijking met het buitenland in Nederland zelfs flinterdun. Dat komt door de grote concurrentie tussen de drie grootmachten ING, Rabo en ABN Amro die elkaar geen duimbreed willen toegeven.

De winstgroei van ABN Amro komt vooral door winstgroei in het buitenland en besparingen op de personeelskosten in Nederland, in feite het grote voordeel van de fusie tussen ABN Amro. Het afgelopen jaar was het eerste "oogstjaar'. In 1991 vielen de opbrengsten nog geheel weg tegen de fusiekosten. Bovendien moeten er eerst kosten gemaakt worden voordat er bespaard kan worden, bijvoorbeeld door het sluiten van kantoren. Dankzij dit beleid is op de personeelskosten in het afgelopen jaar circa 120 miljoen gulden bespaard. Met die 120 miljoen gulden is het leeuwedeel van de winstgroei van ABN Amro verklaard.

Dit jaar kan ABN Amro nog meer besparen. In het afgelopen jaar zijn nog forse kosten gemaakt: circa 150 kantoren zijn samengevoegd tot 75. Dit bespaart ongeveer duizend arbeidskrachten. Het zal duidelijk zijn dat de bank de veelal pijnlijke ingrepen in het personeelsbestand niet doet om deze besparingen vervolgens in de kredietverlening te laten weglekken, ook al gaat het om belangrijke bedrijven als Fokker en DAF.

De reden van kostenbesparing is dat bij de banken in de afgelopen jaren de kosten sneller stegen dan de opbrengsten. Deze "negatieve schaarbeweging' heeft ABN Amro vorig jaar doorbroken. Een andere reden is ABN Amro's groeistrategie om de concurrentie het hoofd te bieden. Voor groei is extra kapitaal nodig. Om dat te krijgen is het inhouden van (hogere) winst één van de mooiste vormen.

ABN Amro heeft de winst dus niet verdiend over de ruggen van de bedrijven. Tegelijk lijkt het opvallend dat ABN Amro zo weinig is getroffen door de verliezen van de grote bedrijven. De bank had namelijk niet alleen te maken met Fokker en DAF maar bovendien met het vorig jaar failliet gegane automatiseringsfonds HCS, wat de bank waarschijnlijk een strop van honderden miljoenen heeft opgeleverd (gespreid over meerdere jaren).

De omvang en de onttrekkingen uit de stroppenpot zijn weliswaar geheim, maar de toevoegingen maken de banken wel bekend. De groei van de "dotatie' is niet te vergelijken met die van begin jaren tachtig. Daaruit valt af te leiden dat de industrie er grosso modo nog steeds veel beter voorstaat dan toen.

Het wordt pas zorgelijk voor de bank als de conjunctuur zo tegen zit dat honderden bedrijven tegelijk omvallen, maar daarvan is geen sprake. Per maand zet een bank van de omvang van ABN Amro 300 à 400 miljoen gulden aan nieuwe leningen uit. Dan vallen een paar afgeschreven leningen niet op.

In de praktijk blijkt bovendien dat banken een paar grote déconfitures beter kunnen verwerken, dan een serie kleine faillissementen. Dat komt omdat wanneer banken grote belangen hebben, zoals bij DAF en Fokker, zij op het hoogste niveau mensen inzetten om nog iets te redden. Dat iets wordt dan vaak meer.

Bij DAF zijn bijvoorbeeld de leningen omgezet in aandelen en is actief meegewerkt aan een ondernemingsplan voor het nieuwe DAF. Het is heel goed mogelijk dat de vrachtwagenfabrikant straks weer rendeert en dat ABN Amro, net zoals de overheid, de aandelen met een vette winst kan afstoten.

In het verleden zijn veel voorbeelden van industriële rampen die bij nader inzien financiële klappers bleken te zijn. Uit de Ogem-as verrezen bijvoorbeeld uitstekende bedrijven als Otra en TBI Holdings. Het bekendste internationale voorbeeld is echter Chrysler die jaren geleden uitstel van betaling moest aanvragen. De banken moesten hun leningen omzettten in aandelen om de nieuwe president Iaccoca de kans te geven er nog iets van te maken. Toen Chrysler weer scoorde op Wall Street verkochten de banken hun aandelen en uiteindelijk waren de banken blij en gelukkig. De cijfers van vandaag geven aan dat de moeilijkheden van sommige Nederlandse bedrijven niet automatisch een zorg zijn voor ABN Amro.