Lopend door schaduwrijke laurierbossen; Brieven van Johann Joachim Winckelmann

Johann Joachim Winckelmann: een portret in brieven. Selectie, inleiding en vertaling Hein L. van Dolen en Eric M. Moormann. Uitg. Ambo, 430 blz. Prijs ƒ 95,-

Anderhalve maand na zijn aankomst in Rome noteerde Goethe in zijn Italienische Reise: "Vanmorgen kreeg ik de brieven in handen die Winckelmann vanuit Italië schreef. Met wat voor een emotie ben ik ze gaan lezen! Eenendertig jaar geleden, in hetzelfde seizoen, kwam hij - een nog armzaligere dwaas dan ik - naar deze stad. Ook hem ging het, met die voor Duitsers zo kenmerkende ernst, om het fundamentele en blijvende van de klassieke oudheid en haar kunst. Hoe moedig en doortastend wist hij zijn doel te bereiken! En hoe waardevol is het daarom voor mij om op deze plaats bij de nagedachtenis van deze man stil te staan!'

Toen deze woorden werden neergeschreven, was Johann Joachim Winckelmann al meer dan twintig jaar dood. Zijn faam had zich inmiddels over Europa verbreid en hij was voor minstens één generatie van kunstenaars, geleerden en literatoren tot een lichtend voorbeeld geworden. Hij stond niet alleen aan de wieg van het neoclassicisme, dat rond 1800 de kunst in al haar verschijningsvormen beheerste, maar hij had ook de archeologie tot een autonome wetenschap gemaakt. Bovendien oefende hij (vooral in Duitsland) een enorme invloed uit op de esthetica en kunstbeschouwing door zijn ideeën over de Griekse schoonheid.

In Een portret in brieven komt zijn persoonlijkheid goed uit de verf. De meer dan honderdvijftig brieven en brieffragmenten van zijn hand worden voorafgegaan door een uitvoerige inleiding en gevolgd door een even uitvoerig notenapparaat en persooonsregister. Er zijn op deze voorbeeldig vorzorgde uitgave nauwelijks aanmerkingen te maken, of het moest zijn dat het voorwoord wat strakker geschreven en het commentaar wat consequenter geplaatst had kunnen zijn.

In de inleiding lezen we hoe Winckelmanns leven verliep. In 1717 geboren als zoon van een Pruisische schoenmaker, studeerde hij in Halle en Jena. Daarna was hij eerst huisleraar, vervolgens conrector van een school en tenslotte bibliothecaris bij een graaf in de buurt van Dresden. In Rome werkte hij als bibliothecaris en conservator bij diverse kardinalen en pausen en groeide hij uit tot de meest gezaghebbende oudheidkundige van zijn tijd. In Rome schreef hij ook zijn wetenschappelijke werken, waarvan Geschichte der Kunst des Altertums het belangrijkst is. Toen hij in 1768 terugkeerde van een reis naar Duitsland, werd hij om nog steeds onopgehelderde redenen in Triëst vermoord.

Deze biografische samenvatting wordt in de brieven als het ware van binnenuit aangevuld. Daarbij ligt het accent op Winckelmanns persoonlijke leven, en minder op de ideeën en theorieën waarop zijn roem berust. Omdat zijn geschriften over de klassieke kunst naar huidige maatstaven stilistisch bijna onverteerbaar zijn, is het een niet gering voordeel dat hij in zijn correspondentie direct en to the point is: zijn gevoelens en beweegredenen, zijn bezigheden van elke dag, zijn contacten met hoogwaardigheidsbekleders en geleerden, zijn vriendschappen en verliefdheden, zijn financiële beslommeringen, al deze dingen worden door hem op zeer levendige wijze beschreven. Het woord portret in de titel van het boek had voor mijn gevoel dan ook beter zelfportret kunnen zijn.

Op de eerste vijfentwintig "Pruisische' brieven na is Winckelmanns correspondentie vrijwel geheel vanuit Rome gericht aan vrienden en bekenden in Duitsland. Zijn adressanten zijn niet alleen groot in aantal, maar ook zeer divers. Het zijn persoonlijke vrienden, staatslieden, bibliothecarissen, uitgevers, schrijvers, kunstenaars, geleerden en collectioneurs. Sommigen (zoals de erudiete pater theatijn Paciaudi) schrijft hij maar één keer, anderen (zoals zijn opdrachtgever baron von Stosch) dertig keer.

Uit Winckelmanns epistolaire autobiografie springen enkele hoofdonderwerpen naar voren: zijn bekering tot het katholicisme, zijn homoseksualiteit, zijn schrijverschap, zijn werk als archeoloog.

In vele brieven geeft Winckelmann blijk van zijn homoseksuele geaardheid. Dit gebeurt overigens altijd in bedekte termen en met vage toespelingen. Hij spreekt een jongen of man wel eens aan met "zoetste, edelste, o zo geliefde vriend', en hij heeft het wel eens over "duizend tedere omhelzingen en kusjes', maar veel verder gaat hij doorgaans niet. De lichamelijke liefde wordt door hem op een verheven plan gebracht en gesublimeerd. Zo schrijft hij aan zijn vriend Berg: "Een onbegrijpelijke hang naar u, die niet alleen gebaseerd is op uw gestalte en uw persoon, heeft me, vanaf het eerste moment dat ik u zag, een zweem van die harmonie laten gewaarworden die alle menselijke begrip te boven gaat.'

Boezem

Ook de Griekse schoonheid, die hij in talloze torso's en beelden bestudeert, ziet hij vóór alles als mannelijk: "Wat heeft een vrouw eigenlijk voor moois dat wij niet hebben? Een mooie boezem is toch van korte duur en de natuur heeft dit lichaamsdeel niet voor de sier, maar voor de voeding van kinderen gemaakt en om die reden kan het niet mooi blijven. Schoonheid is zelfs mannen op leeftijd nog eigen en men kan van veel oude mannen zeggen dat ze mooi zijn, maar dat heeft nooit iemand over een oude vrouw gezegd.'

Ofschoon de schrijver een zekere heimwee naar Pruisen en Saksen niet kan onderdrukken, voelt hij zich in Rome uitstekend thuis. Al na enkele maanden schrijft hij aan een vriend: "Het is onbeschrijfelijk hoe mooi de natuur in dit land is. Je loopt door de meest schaduwrijke laurierbossen, over lanen met hoge cipressen en langs latwerken van orangerieën, in villa's op zo'n kwart mijl gaans, met name de Villa Borghese. Hoe beter je Rome leert kennen, des te meer bevalt het. Hier zou ik altijd willen blijven....' en zo gaat het door, de ene lofzang na de andere. Hij prijst de wijn en de broccoli, de ongecompliceerde omgangsvormen, het hoge peil van de geleerden, en zelfs de vrijheid en tolerantie: "Het is hier een land van menselijkheid, waar iedereen doet waar hij zin in heeft, mits men maar niet al te veel opvalt of zegt: De paus is een antichrist!'

Maar de eigenlijke reden waarom hij naar Italië is gekomen, ligt in zijn mateloze interesse voor de klassieke oudheid, een studieterrein waarop hij ook van te voren al blijk heeft gegeven van een uitzonderlijke kennis en deskundigheid. In Rome hebben de recente ontdekkingen van Herculaneum (1737) en Pompeji (1748) een ware opgravingskoorts teweeggebracht. Winckelmann bezoekt de Romeinse monumenten en overblijfselen, onderneemt speurtochten naar nieuwe vindplaatsen en legt contacten met wetenschapsmensen en kunstkenners. En al gauw reist hij ook naar Napels, om vandaaruit niet alleen Pompeji en Herculaneum, maar ook Stabia, Baiae en Paestum te bezoeken. Later maakt hij opnieuw plannen om, behalve naar Sicilië, ook naar Griekenland te reizen, maar het moet aan de ironie van het lot worden toegeschreven dat de grootste filhelleen van de achttiende eeuw nooit een voet in het land van zijn dromen heeft gezet.

Lijfspreuk

Binnen enkele jaren groeit de Pruisische schoenmakerszoon uit tot de absolute protagonist op het oudheidkundige toneel van Rome: hij wordt door velen (onder wie kardinalen en pausen) gef^eteerd en geraadpleegd, vervult belangrijke functies bij kunstverzamelingen en bibliotheken, en oefent door zijn geschriften zowel in als buiten Italië grote invloed uit. Het motto waaronder hij zijn eerste publicatie de wereld instuurt, luidt: "De enige manier om groot, ja zo mogelijk onnavolgbaar, te worden, bestaat in de navolging van de antieken.' Dit motto wordt tot een soort lijfspreuk die hem bij al zijn werk voor ogen staat. En dit werk bestaat voor een aanzienlijk deel uit het schriftelijk vastleggen van zijn bevindingen en ideeën: in de ruim twaalf jaar dat hij in Rome woont, schrijft hij behalve ontelbare brieven een stuk of tien boeken (die overigens niet allemaal worden gepubliceerd).

Bij zijn activiteiten als schrijver en archeoloog staat de kunst uit de klassieke oudheid, met name die uit Griekenland, voor hem centraal. Deze overtreft in zijn ogen alles wat er aan schoonheid op aarde te vinden is: "Vergeleken met de antieke kunstenaars, van wie we nog niet eens de mooiste werken hebben, bestaat de nieuwe generatie uit ezels en van hen is Bernini de grootste ezel, op de Fransen na.'

Winckelmann bestudeert en beschrijft gebouwen, beelden, reliëfs, schilderingen, mozaëken, cameeen, munten, gebruiksvoorwerpen, papyrussen en boekrollen, voortdurend op zoek naar de "edele eenvoud en stille grootsheid' die ze uitstralen. Hij heeft overigens niet alleen aandacht voor de theorie, maar ook voor de praktijk: hij verzet zich tegen het zomaar wat aanrommelen van de antiquarii en ontwerpt methoden en technieken voor het opgraven, schoonmaken en restaureren.

Een portret in brieven is niet alleen een expressie van vakmatige hartstocht, ze is ook een spiegel van de achttiende eeuw en biedt boeiende doorkijkjes naar het dagelijks leven. Maar de brievenverzameling is toch vooral het levensdocument van een groot man. Zoals Petrarca geldt als de grondlegger van de literaire renaissance, zo staat Winckelmann aan de wieg van de archeologische renaissance.