Leden van de G-7 moeten minder hoog van de toren blazen

In de lente komt de G-7 weer tot leven. Eind vorige maand hielden de ministers van financiën van de zeven machtigste industrielanden een bijeenkomst om kennis te maken met de nieuwe gezichten in het gezelschap, volgende maand treffen ze elkaar opnieuw. De staatshoofden en regeringsleiders van de G7 houden hun jaarlijkse topconferentie deze zomer in Japan. Dit weekeinde zullen hoge ambtenaren van de G-7 in Hongkong bij elkaar komen voor overleg over Westerse hulp aan Rusland.

Hans H.J. Labohm, G-7 Economic Summits, A view from the lowlands, Instituut Clingendael, februari 1993.

De G-7 is een informeel forum voor coördinatie van het beleid van de machtigste industrielanden: de VS, Japan, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en Canada. Eigenlijk bestaan er twee G-7's: de jaarlijkse economische top van staatshoofden en regeringsleiders die sinds 1975 gehouden wordt, en de monetaire G-7, het halfjaarlijkse overleg van de ministers van financiën en centrale-bankpresidenten. Deze laatste heeft prominentie gekregen na 1985 en houdt zich met financiële en monetaire kwesties bezig.

De G-7 beschikt niet over een eigen organisatie en het voorzitterschap rouleert jaarlijks. Evenmin maakt de G-7 deel uit van het bestaande multilaterale stelsel waartoe de Oeso (de club van 24 rijkste landen), het IMF, de Gatt en de Wereldbank behoren. Het is een poging tot leiderschap van de machtigsten der aarde, waarvan de jaarlijkse topconferenties zijn uitgegroeid tot mediaspektakels met steeds minder inhoud.

De leiderschapsrol van de G-7 hangt in sterke mate af van de bereidheid van de deelnemende landen om gezamenlijk op te treden. Bovendien is de effectiviteit van de G-7 afhankelijk van de persoonlijke relaties tussen de deelnemers. Persoonlijke banden, zoals indertijd tussen Helmut Schmidt en Giscard d'Estaing of tussen Ronald Reagan en Margaret Thatcher zijn eerder uitzondering dan regel.

In ambtelijk en politiek Den Haag is de G-7 nooit erg populair geweest. De G-7 zat Nederland menig keer dwars. Nederland houdt niet van onderlinge afspraken tussen de grote landen, deels omdat de G-7 buiten het multilaterale institutionele kader opereert, deels omdat Nederland zelf niet bij de zeven rijkste industrielanden behoort. Daarentegen maakt Nederland wel deel uit van de Groep van Tien, het overleg van de rijke lidstaten van het IMF. De G-10 (die overigens uit elf landen bestaat) werd opgericht in 1963 en fungeerde jarenlang als forum voor discussies over het internationale monetaire stelsel. Sinds het midden van de jaren tachtig heeft de G-10 veel aan gewicht verloren.

Hans Labohm, voormalig plaatsvervangend vertegenwoordiger van Nederland bij de Oeso en na terugkeer naar Nederland verbonden aan het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael, heeft een beschouwing gewijd aan de G-7, geschreven vanuit de kritische Nederlandse invalshoek. Na een onderzoek naar de onderwerpen waarmee de G-7 - zowel de top van staatshoofden als de ministeriële G-7 - zich de afgelopen jaren heeft bezig gehouden, komt hij met aanbevelingen om de werkwijze te verbeteren. Daarbij pleit hij voor matiging van de pretenties en voor nauwere samenwerking met de multilaterale instituties zoals Oeso en IMF.

Achtereenvolgens behandelt Labohm de betrokkenheid van de topconferenties van de G-7 bij de coördinatie van het macro-economische beleid (gezien de aanhoudende begrotingstekorten in sommige G-7-landen overwegend mislukt), monetair beleid (elk land gaat zijn eigen gang volgens de "Sinatra-doctrine' My way), structurele hervormingen (grotere flexibiliteit van de economie heeft enig succes gehad), handel (de Uruguay-ronde voor handelsliberalisatie is ondanks G-7-bemoeienis nog steeds niet afgerond), landbouw (idem), energie (na de oliecrises van de jaren zeventig en de Golf-oorlog), milieu (steeds terugkerend onderwerp op de agenda met tegengestelde opvattingen binnen de G-7) en Noord-Zuid betrekkingen (idem).

De G-7, concludeert Labohm, “heeft een positieve invloed gehad op de ontwikkeling van de internationale economische betrekkingen. Hij heeft bijgedragen aan een succesvolle strijd tegen inflatie, de schepping van werkgelegenheid en economisch herstel. Hij heeft een positieve rol gespeeld in de schuldencrisis van de Derde wereld en om protectionistische druk te weerstaan.” Maar de G-7 heeft gefaald om “de patstelling in de Uruguay-ronde te doorbreken en de consumptie van fossiele brandstoffen te beperken.” Evenmin heeft de G-7 oplopende overheidstekorten en staatsschulden kunnen verhinderen of een bijdrage geleverd aan de aanpak van de landbouwoverschotten of het milieuprobleem. “Topconferenties hebben zwakke economische prestaties niet kunnen verhinderen”, stelt hij vast.

Wat betreft de G-7 van ministers van financiën en centrale bankpresidenten is de conclusie van Labohm eveneens negatief. Hun pogingen tot samenwerking op monetair terrein hebben traditionele vormen van internationale economische samenwerking uitgehold. Ze zijn er niet in geslaagd om het vertrouwen van de financiële markten te winnen en door hun optreden is de kloof tussen de grote en de kleinere Westerse industrielanden groter geworden.

Labohm maakt een aantal behartenswaardige opmerkingen en ook al behoort Nederland niet tot de G-7, de G-7 landen kunnen hun voordeel met zijn aanbevelingen doen.