Internationalisering is oogmerk van nieuwe directeur; Dragan Klaic: "Toneel moet minder esthetisch worden'

Directeur Dragan Klaic van het Theater Instituut Nederland presenteerde deze week het nieuwe beleid. Tegelijkertijd ging er een expositie open over de toekomst van het theater.

“Het Nederlandse theater moet zich veel internationaler oriënteren dan het voorheen deed."' Dat zegt de nieuwe directeur Dragan Klaic (42) van het Theater Instituut Nederland, de nieuwe benaming voor het vroegere Nederlands Theater Instituut aan de Herengracht in Amsterdam. De uit voormalig Joegoslavië afkomstige theaterwetenschapper is eind 1991 aangesteld als directeur van een instituut dat niet meer alleen het toneel onder zijn hoede heeft, maar ook verwante disciplines als dans, poppenspel, mime en opera.

Voorheen had vrijwel iedere podiumkunst een eigen instituut, samenwerking was er nauwelijks. Daarin is nu, samenvallend met het aantreden van de nieuwe directeur, verandering gekomen.

Evenals in het beleid. "Internationalisering' is het sleutelwoord. Klaic wil zowel binnen als buiten het instituut tentoonstellingen organiseren, in binnen- en buitenland forumbijeenkomsten beleggen en wetenschappelijk onderzoek verrichten en stimuleren. Zo wordt er komend weekeinde al een bijeenkomst in het Instituut zelf belegd, waarop binnen- en buitenlandse theatermakers zich zullen buigen over onderwerpen als de rol van het theater in onderwijs of politiek en de relatie tussen theater en andere kunstvormen. Voorts presenteert het Theaterinstituut zich dit jaar op de Frankfurter Buchmesse, bij de viering van het 1000-jarige Potsdam en met het Onafhankelijk Toneel, het Stuffed Puppet Theatre en Truus Bronkhorst in vier Amerikaanse steden.

In het kader van de deze week geopende expositie Het theater van de toekomst verricht de directeur van het voormalige Mickerytheater, Ritsaert ten Cate, onderzoek naar de invoering van een tweede-fase-studie voor theateropleidingen. Het in opdracht van de ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en van WVC opgezette onderzoek moet in april zijn afgerond. De eerste tweede-fase studenten zouden in 1994 kunnen beginnen.

De benoeming van Dragan Klaic heeft voor enige verwondering gezorgd. Hoe kan iemand die het Nederlands niet beheerst en niet vertrouwd is met de vaderlandse toneelgeschiedenis aan het hoofd staan van een instituut, dat zo nauw verweven is met de Nederlandse taal? Klaic is zelf de eerste om verbaasd te zijn: “Ik ben aangesteld door het bestuur van elk van de vier afzonderlijke disciplines. Bovendien ben ik geen manager, ik ben docent theaterwetenschap en schrijver over het theater. Wel bezocht ik veel internationale conferenties. Inmiddels beheers ik het Nederlands redelijk en heb ik in de afgelopen jaren talloze voorstellingen gezien. Door te luisteren naar mensen uit het theater heb ik iets van de achterstand ingelopen. Maar misschien moet je het anders zien en zegt de benoeming van een Joegoslaaf nog het meest over Nederland: dit land wil zich kennelijk Europees oriënteren en niet chauvinistisch of kleinschalig.'"

Het is één van de hooggestemde idealen van Klaic om het gesprek over het theater in Nederland vanuit het instituut te bevorderen. De gedachte dat de meeste theatermakers niet zo reflectief zijn ingesteld ontmoedigt hem niet. “Een van de zwakke dingen van het toneel hier is dat het medium niet for granted wordt genomen, niet door publiek, niet door de betrokkenen zelf en evenmin door de regering. Men maakt voorstellingen vanuit een pragmatisch oogpunt: er moet geproduceerd worden. In een land dat niet nadenkt over zijn theater, is dat theater ten dode opgeschreven. Ik hoop dat in Nederland het toneelleven een sterke rol in de maatschappij gaat spelen. Daartoe moeten de voorstellingen minder esthetisch zijn. Wij zijn geen fabrikanten van esthetische ideeën.

Volgens Klaic is de collectie van het Theater Instituut "uniek" in Europa. Twaalfduizend affiches, drieduizend toneelkostuums, honderden foto's, boeken en recensies, maquettes, achterdoeken en wat niet al liggen er opgeslagen. Klaic: “Een vaste expositie is de dood huis. Er komen tentoonstellingen die uitgaan van een hedendaagse thematiek, waarbij een historische context wordt gegeven, uitgaande van het materiaal dat we hier bezitten. Modeontwerper Frank Govers zal bijvoorbeeld in een expositie zijn visie geven op toneelkostuums. Die zien er van afstand altijd schitterend uit, maar van dichtbij zijn ze vaak kitscherig, lelijk, slecht afgewerkt."

De titel van de zojuist geopende tentoonstelling, De toekomst van het theater, herinnert aan die van het boek dat Klaic schreef, The Plot of the Future. Wat opvalt is de ruimte met reusachtige foto's van lege zalen. Alleen rijen en rijen fluwelen stoelen. Is dit niet een erg pessimistische gedachte? “Misschien wel,"' erkent Klaic. “Het is de angst van elke theatermaker, de angst voor de lege zaal. Daarom ook moet de impact van het theater op de maatschappij vergroot worden. Dat kan. Vanuit dit instituut."'

Theater Instituut Nederland, Herengracht 168, Amsterdam. Het theater van de toekomst, t/m 16 mei.