Honderden bezoedelde stukjes professor; Jaan Kross en de verlokkingen van de morele corruptie

“Naar het buitenland gaan alleen zij die zich willen wreken. Wie iets wezenlijkers wil blijft thuis.” De uit Estland afkomstige Jaan Kross schrijft historische romans over collaboratie en verzet in een totalitaire maatschappij. Om zijn personages zo overtuigend mogelijk te maken, baseert hij ze op mensen die werkelijk geleefd hebben. Daarmee probeert hij tegelijkertijd een ander doel te dienen, namelijk het teruggeven van de geschiedenis aan het volk van Estland.

Jaan Kross: De Gek van de Tsaar (Keisri Hull). Vertaald op basis van de Franse en Duitse edities door Ronald Jonkers. Uitg. Prometheus, 339 blz. Prijs ƒ 39,90. Jaan Kross: Het vertrek van professor Martens (Professor Martensi ärasõit). Vertaald uit het Ests door Marianne Vogel en Cornelius Hasselblatt. Uitg. Prometheus, 277 blz. Prijs ƒ 39,90.

In deze postmoderne tijden zijn discussies over de moraal net zo uit de tijd als een geflipte priester die zich, op zoek naar een nieuwe god, in de armen van het marxisme stort. Maar wie zo kan schrijven als Jaan Kross, afkomstig uit Estland, die doorbreekt schijnbaar moeiteloos de mode van het heersende intellectuele debat en slaagt erin het eeuwenoude thema van goed en kwaad in al zijn pracht én gruwelijkheid te presenteren.

In zijn epos van collaboratie en verzet en het individu dat tussen de raderen van de macht van zijn tijd vermalen wordt, kiest Kross als vorm voor de historische roman. In het vorig jaar vertaalde De Gek van de Tsaar vertelt hij het verhaal van een edelman uit Estland, die aan het begin van de vorige eeuw in verzet komt tegen het bewind van de tsaar. In het onlangs verschenen Het vertrek van professor Martens is de hoofdfiguur een internationaal vermaard volkenrechtdeskundige, ook geboren in Estland, en steunpilaar van de intellectuele elite van Ruslands laatste tsaar, Nicolaas II.

Beide boeken zijn nog tijdens het communisme geschreven: het eerste boek verscheen in 1978 in het Ests, het tweede in 1984. Dat verklaart een van de vele aspecten van de keuze van Kross voor de historische roman. De vraag voor welke morele problemen het individu gesteld wordt in de totalitaire maatschappij van het tsarisme, is meteen een historische metafoor en een aanklacht tegen de onderdrukking van het communisme, waaronder Kross zijn boeken schreef. Kross komt in zijn romans niet verder dan het jaar 1909, maar hij weet de mechanismes van de tsaristische repressie zo subtiel en indringend te schilderen, dat de lezer zich in de voormalige Sovjet-Unie waant.

Zoals het een goede metafoor betaamt, geeft zij de werkelijkheid beter weer dan een concrete beschrijving van die werkelijkheid. En zo constateert de lezer verbaasd dat zo'n historische roman dieper in de werkelijkheid van de Sovjet-Unie doordringt dan het verslag in romanvorm van menig dissident. Kross scherpt het realiteitsgehalte van zijn romanpersonages nog verder aan door ze niet aan zijn fantasie te laten ontspruiten, maar ze te baseren op mensen die werkelijk geleefd hebben. Daarmee poogt hij tegelijkertijd een ander doel te bereiken, namelijk het teruggeven van de geschiedenis aan het volk van Estland.

Nepotisme

In De Gek van de Tsaar tart baron Timo von Bock alle sociale conventies van zijn klasse door met een arm Ests boerenmeisje te trouwen. Von Bock, telg van de Duitse adel die het al eeuwenlang in Estland voor het zeggen heeft, wijst zelfs een huwelijkskandidate af van tsaar Alexander II, met wie hij bevriend is. De band met de tsaar is zo hecht dat Von Bock in zijn opdracht geheime missies uitvoert en dat de tsaar hem laat zweren altijd de waarheid te zullen zeggen, ook als die onaangenaam is. Von Bock houdt zich aan die afspraak en schrijft in maart 1818 een pagina's lange, felle aanklacht tegen de achterlijkheid, de corruptie en het nepotisme van het tsaristische regime: "Zijn wij de veestapels van het regime? Waarom houdt de tsaar zo van parades? Omdat parades de zegepraal van het onbeduidende zijn! Omdat bij een parade van iedere soldaat, voor wie Zijne Majesteit tijdens een veldslag zijn ogen zou moeten neerslaan, een aangeklede pop wordt gemaakt. Zo kan de tsaar zich inbeelden dat hij de almachtige God is.'

Von Bock denkt dat de tsaar deze noodkreet van een vriend ter harte zal nemen. Maar zijn vriend neemt op slag de gedaante aan van de almachtige potentaat die de belangen van zijn staat en zijn dynastie bedreigd ziet. Niet alleen volgen er negen jaar kerker, maar de politieke oppositie van Von Bock wordt (toen al) gedegradeerd tot een psychiatrisch geval: hij wordt gek verklaard. Welk normaal mens kan immers de legitimiteit van de machthebber aller Russen in twijfel trekken?

Als de volgende tsaar, Nicolaas I, hem vrijlaat krijgt Von Bock levenslang huisarrest op zijn eigen landgoed en snuffelen spionnen voortdurend in zijn papieren. Von Bocks vrouw weet met halsbrekende toeren een ontsnapping naar het buitenland te organiseren via een Nederlands schip dat in een Estlandse haven ligt. Op het allerlaatste ogenblik weigert Von Bock, omdat hij zich voor het klassieke dilemma van de dissident geplaatst ziet: "Naar het buitenland gaan alleen zij die zich willen wreken. Wie iets wezenlijkers wil blijft thuis.' Als hij vertrekken moet, dan naar Siberië "als een ijzeren doorn in het vlees van het tsarenrijk."

Het systeem van intimidatie en totale isolering op het landgoed werkt zo effectief, dat het zelfs zijn moeilijkst te verwezenlijken doel bereikt: Von Bock begint uiteindelijk ook zelf aan zijn eigen geestelijke vermogens te twijfelen. Op 13 april 1836 wordt hij 's ochtends in zijn werkkamer aangetroffen, gedood door een schot hagel. Kross laat in het midden of het zelfmoord is of moord door een van de spionnen van de tsaar. Als de geheime politie er achter zit dan heeft een verder onderzoek geen enkele zin: "Hij zou door ieder netwerk van bewijzen heensluipen."

Boerenzoon

Het verhaal over Von Bock wordt verteld door middel van een dagboek dat zijn zwager, een broer van het boerenmeisje, bijhoudt. Die zwager is na het huwelijk van zijn zuster, ook op het adellijke landgoed komen wonen. Het vertellersperspectief van de eenvoudige boerenzoon geeft Kross de mogelijkheid om in uitvoerige nevenverhalen een beeld van Estland in de negentiende eeuw te schetsen.

Het nadeel van het dagboekprocédé is dat de figuur van Von Bock niet meer dan van buitenaf beschreven kan worden. Zijn werkelijke zieleroerselen kunnen daarom onvoldoende belicht worden. Zo behoudt de schets van Kross van deze adellijke dissident hier en daar wat vage contouren. Daarom zou ik dit boek van de schrijver, die al enkele jaren op de nominatie voor de Nobelprijs schijnt te staan, toch niet als Nobelprijsboek willen kwalificeren, hoe indrukwekkend het ook is.

Dat geldt zeker wel voor het tweede vertaalde boek van Kross, Het vertrek van professor Martens. Waar Kross in Von Bock het leven van de compromisloze verzetsheld beschrijft, daar staat professor Martens in het tweede boek voor het prototype van de collaborateur. Ook Martens heeft echt geleefd (1845-1909) en staat in iedere zichzelf respecterende encyclopedie. Geboren in Estland als zoon van een schoenmaker, maakt hij snel carrière als professor in het volkenrecht, schrijver van standaardwerken op dat gebied, en befaamd arbiter bij het oplossen van internationale conflicten.

Kross past hier een andere verteltechniek toe: hij nestelt zich in het hoofd van Martens en beschrijft in een monoloog van 274 pagina's wat zich daar afspeelt op de laatste dag van zijn leven. Martens voorvoelt het naderende einde en repeteert in de trein de niets verhullende biecht aan zijn vrouw over het failliet van zijn roemrijke leven: het conformeren, de leugenachtigheid en het zwijgen als prijs voor aanzien en carrière.

Kross toont Martens in een minutieuze demontage van zijn persoonlijkheid. Aan het slot blijven er niet meer dan honderden, bezoedelde stukjes professor Martens over. Hij wordt aan het einde van zijn leven gekweld door het feit dat zijn scherpzinnigheid niet bij het volkenrecht ophoudt. De persoonlijke moraal, altijd een lastige metgezel voor een carrièremaker, wist Martens voordien met de hem eigen intellectuele brille weg te redeneren ("Ik ben in mijn positie slechts een niet betrokken buitenstaander'). De moraal lijkt zich zo een heel leven lang rustig in slaap te laten wiegen, totdat opeens blijkt dat ze al die tijd alleen maar krachten heeft verzameld om op de laatste dag vernietigend toe te slaan.

Vollopen

Kross beschrijft tot in de kleinste details de gebieden waar de moraal Martens zijn fatale steken toebrengt. Bij het wegkijken tijdens de meedogenloze onderdrukking van de opstand van 1905. Over de manier om van het gevoel van verstikking af te komen, die het almaar zwijgen veroorzaakt: "Meestal gooien we gewoon het raam open, als de regen niet te hevig met de wind de kamer inslaat, of we gaan een wandeling maken als het niet te hard vriest. Ofwel, onpasselijkheid overvalt ons; dan rennen we naar het closet en braken. Daarna laten we ons vollopen.' Of over het zich hullen in de toga van de objectieve wetenschapper, om zo heimelijk de politiek van de tsaar te verkopen. Net als de honden in de Estse stad Parnü, in de tijd dat hij nog een herdersjongen was, "als je ze op hun buik kriebelt draaien ze met hun achterwerk.' Over het nut om geen identiteit te hebben bij het maken van een carrière en zoveel mogelijk de eigen herkomst te verzwijgen: "Ik ben een Est, maar heb geen enkel bezwaar om voor Duitser versleten te worden. In hofkringen was ik een Duitser, en dat sprak ik dan niet tegen.'

Ook het huwelijk met zijn vrouw blijkt op leugens gebouwd. Hij biecht een stormachtige verhouding met een Belgische beeldhouwster op en omschrijft de bezoedelde trouw aan zijn vrouw als "net zoiets als mijn loyaliteit jegens drie tsaren, die ik ondanks al mijn kritiek heb volgehouden.' Uiteindelijk wordt Martens de genade van de absolutie niet gegund. Als hij op weg gaat om zijn vrouw deze levensbiecht te vertellen zakt hij in elkaar en sterft.

Heel ingenieus weeft Kross door het verhaal van Fjodor Martens het verhaal van Georg Friedrich von Martens, die 89 jaar eerder in Duitsland leefde, ook een vermaard volkenrechtgeleerde was, maar geen familie van Fjodor. In de manier waarop Georg in zijn zucht naar roem en aanzien zich encanailleert met de Napoleontische machthebbers en zich vervolgens weer handig inlikt bij de Duitse vorsten na de val van Napoleon, laat Kross zien dat collaboratie van alle tijden is.

In Het vertrek van professor Martens wordt de repressie niet beschreven vanuit het dissidente slachtoffer, zoals veelal gebeurt, maar vanuit een vooraanstaand lid van de toenmalige nomenklatoera. Die invalshoek levert een subtieler beeld van de onderdrukking op, alsook van de verlokkingen van de morele corruptie. Daarbij is dit tweeluik van collaboratie en verzet van een dergelijk niveau, dat Kross niet alleen dé roman over de communistische nomenklatoera heeft geschreven (net zo goed als het verhaal van de morele neergang en aanpassing van de studentengeneratie uit de jaren zestig), maar er zelfs in slaagt om met zijn historische metafoor, helemaal los van welk maatschappelijk systeem dan ook, de lezer bij de strot te grijpen en hem te dwingen na te denken over zijn eigen morele corruptie in de maatschappij waarin hij leeft.