Het zuiden

Even naar de stad voor een voorraadje ansichtkaarten. Terug via het Bredius. Volop zon en weinig wind. De jas hangt heerlijk open.

We steken over naar de Meander en daar staan twee vrouwen te praten. Ik zou liever twee meisjes zeggen, maar je moet wel eerlijk blijven.

De ene is met de fiets, de andere heeft een boeket bloemen bij zich. Ik vraag me af of het een boeket is waaraan Rekel zou willen snuffelen. Ik kijk naar mijn hond. Ik kijk naar die vrouwen, aan de jonge kant toch. Die met de fiets kijkt terug, terwijl ze precies op dat moment haar verhaal nog eens samenvat.

“Ik wil meer aandacht”, zegt ze. “Meer aandacht!”

“Van wie”, zeg ik.

“Van jou”, zegt die met de bloemen.

Ik haal verontschuldigend mijn schouders op. Dat ze mij mijn onmacht vooral niet kwalijk nemen. Niemand kan voor iedereen zorgen.

Naderhand haalt de ene, die met de fiets, ons in. Ze lacht een beetje, maar zonder opzij te kijken.

Thuis maak ik op mijn bureau ruimte voor het uitspreiden van de ansichtkaarten. Van Gogh, Cézanne, Monet, Renoir. Op al die kaarten is het zomer. Bloemen, vlaggen en cypressen, hier en daar een bootje of een parasol, een wittig jurkje. En op al die kaarten schijnt de zon - ik bedoel: mijn bureau staat op het zuiden.