Het trappelen met de voetjes; Essays van Bernard Delfgaauw

B. Delfgaauw: Denkwegen. Uitg. Kok Agora, 164 blz. Prijs ƒ 29,50.

In Filosofie Magazine werd Bernard Delfgaauw laatst een denker van formaat genoemd. Maar welk formaat? Om die vraag te beantwoorden is het nuttig zijn nieuwste bundel essays, getiteld Denkwegen, te lezen. In deze bundel bespreekt Delfgaauw, emeritus hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit van Groningen, het werk van een aantal filosofen. De bundel opent met het essay ”Wat is metafysica?' Het is het credo van Delfgaauws wijsgerige opvattingen. Voor hem dient de metafysica niet tot het oplossen van wijsgerige problemen, maar moet zij juist onze verwondering verlevendigen. Niet voor niets heet Delfgaauws hoofdwerk Filofosie van de vervreemding. De overige essays in dit boek zijn illustraties van deze opvatting. Aristoteles, Thomas van Aquino, Kant, Bergson, Heidegger en Wittgenstein, hun oeuvre is voor Delfgaauw telkens aanleiding om zijn verwondering te verlevendigen. Biografische gegevens spelen daarbij een even grote rol als citaten uit het werk.

Opmerkelijk is echter dat Delfgaauw nergens het standpunt van de filosoof die hij bespreekt, verheldert. Tant pis, zal de verstokte Delfgaauw-aanhanger misschien tegenwerpen. Maar uit deze bundel wordt ook niet duidelijk om welke problemen het gaat. De meervoudsvorm in de titel is dan passend: Denkwegen. Welke weg Delfgaauw zelf is ingeslagen valt niet op te maken.

De Nederlandse wijsbegeerte is voortgekomen uit de theologie. Dominees en priesters met een vage belangstelling voor wijsgerige vragen hebben jarenlang de boventoon gevoerd. Inmiddels is het tij gekeerd. Een nieuwe generatie Nederlandse filosofen is niet slechts verwonderd, maar probeert daadwerkelijk een bijdrage te leveren aan de internationale wijsgerige discussie. Delfgaauw hoort daar niet bij. In het essay ”Het vraagstuk van de categorieën: Reflectie op Aristoteles en Kant' vergelijkt Delfgaauw de categorieën-schemata van Aristoteles en Kant. Maar hij vergelijkt appels met peren. Aristoteles' categorieën zijn zijns-categorieën, die van Kant zijn denk-categorieën. Dit is de reden voor wat Delfgaauw noemt ”de onherleidbaarheid van deze twee systemen tot elkaar'.

Een van de belangrijkste vragen in de huidige wijsbegeerte is de vraag of de filosofie het bestuderen van het denken niet beter kan overlaten aan de empirische wetenschappen. In het licht van deze discussie komt de vraag op of Kant zijn denk-categorieën als een empirische hypothese over het menselijk denken heeft bedoeld of als een a priori voorwaarde voor de mogelijkheid van iedere vorm van denken. In zijn essay gaat Delfgaauw hier niet op in. Hij vat zonder enig voorbehoud Kants categorieën-schema op als een empirische uitspraak. Dat betekent dat bestudering van het denken beter kan worden overgelaten aan de wetenschap. Delfgaauw, echter, introduceert een categorieën-schema van eigen makelij met als fundamentele begrippen ”Ik' en ”het Andere'. Hij komt tot deze begrippen door een analyse van de relatie tussen moeder en pasgeboren kind. ”Wat onthult het zoeken naar de moederborst? Wat onthult het trappelen met de voetjes?' zijn het type vragen die Delfgaauw zichzelf stelt. Het is op z'n zachtst gezegd naïef om te denken dat dit nog iets met filosofie te maken heeft.

Het essay over Bergson, geschreven in 1963, is het meest leesbare uit de bundel. Hartstochtelijk verdedigt Delfgaauw Bergson tegen Bertrand Russells aantijging dat Bergsons filosofie een ”opstand tegen de rede' is. Jammer genoeg bevat deze verdediging een treurige faux pas. Delfgaauw betoogt dat Bergson twee uitersten tegenover elkaar stelt. Het ene is het instinct, waarvan ”het nationaal-socialisme de grofste en ontstellendste consequentie is geweest'. Het andere uiterste beschouwt alleen de wetenschap als het gebied van het rationele.

Volgens Delfgaauw ontmoeten deze twee uitersten elkaar. Indien alleen in de wetenschap rationeel gedacht wordt, onttrekt het alledaagse gedrag zich aan de rede. Delfgaauw: ”Dit rationalisme, dat o.a. in het neopositivisme voorkomt, levert het gedrag uit aan het instinct, omdat het het denken te hoog acht voor de alledaagse praktijk. Een dergelijke houding heeft de Duitse wetenschap verlamd tegenover het nazisme.'

Dit is pijnlijk om te lezen. Vrijwel alle leden van de Wiener Kreis, de neopositivistische stroming in de wijsbegeerte, moesten in de jaren dertig vluchten voor de nazi's. Juist van iemand die aan den lijve heeft ondervonden hoe kwetsend onheuse aantijgingen zijn, zoals Delfgaauw naar aanleiding van zijn kortdurende lidmaatschap van het Nationaal Front, verwacht men niet dat hij deze passage herdrukt.

In schril contrast met deze beschuldiging staat de milde toon waarin Delfgaauw over Heidegger spreekt. De rede die Heidegger uitspreekt wanneer hij in 1933 door de nationaal-socialisten tot rector magnificus van de Universiteit van Freiburg benoemd wordt heeft ”een ongelukkige politieke ondertoon'.

Het dieptepunt in deze bundel is het slot-essay over Wittgenstein. Het is geschreven naar aanleiding van de bekende slotzin van de Tractatus Logico-Philosophicus: ”Waarover men niet spreken kan, dient men te zwijgen.' Delfgaauw zegt in dit essay niets, helemaal niets. Het is dit soort vrijblijvend gekeuvel dat de Nederlandse wijsbegeerte de slechte naam bezorgd heeft waar een jonge generatie filosofen zich nu van moet zien te bevrijden.