Het Oordeel

Onlangs tijdens een culturele manifestatie in Berlijn stelde ik wat vragen aan een paar Duitse studenten: “Wat is de maatschappelijke oorzaak voor het neo-nazisme? Heeft de overhaaste hereniging van Oost- en West-Duitsland de sociale en economische problemen niet juist uitgelokt? Waarom kon men destijds niet wat langer wachten en de zaak beter plannen, in plaats van zo snel en zo opgewonden ineens...” Een van de studenten viel me in de rede met de woorden: “Wachten? Weet je wel dat er toen in Oost-Duitsland een gigantisch geheim KGB-netwerk bestond...”

Die ene zin deed me denken aan iets wat me met angst en afkeer vervult, maar me tegelijkertijd als een schaduw volgt.

Toen ik indertijd net vanuit China in Londen was aangekomen, logeerde ik bij een Engelse familie. Wanneer die mensen allemaal het huis uit waren, voelde ik me helemaal niet op mijn gemak. Ik durfde amper mijn kamer meer te verlaten. Zodra mijn oog viel op hun openstaande laden of onopgemaakte bedden, wendde ik haastig mijn blik af, want ik voelde me alsof ik door een onzichtbaar stel ogen in de gaten gehouden werd. Dikwijls verdedigde ik mijzelf, ten overstaan van de lege kamer: “Ik heb niets gezien hoor! Ik heb niets aangeraakt! Ik heb jullie spullen niet gestolen!”

Toen ik aan de Leidse universiteit kwam te werken, vroeg men mij of ik er, gezien het tekort aan kantoorruimte, bezwaar tegen had om een kantoor met iemand te delen. Hoewel ik begrip had voor de problemen van de universiteit, hield ik toch vol dat ik het beste alleen kon werken, zonder uit te leggen waarom. Eigenlijk was ik alleen maar bang om oog in oog met iemand te moeten zitten. Die angst stamt nog uit de tijd dat ik in Beijing bij de krant werkte. Toentertijd zaten we met een man of zeven op een kantoor, met de tafels tegen elkaar om ruimte te sparen. Ik vond het onverdraaglijk om telkens als ik mijn hoofd optilde te moeten ontdekken dat ik door een stel ogen gemonsterd werd. Ik vertelde aan de anderen hoe ik erover dacht en iedereen bleek hetzelfde te voelen, dus zetten we de buro's in dezelfde richting, net als bij lagere scholieren, zodat ieder van ons alleen maar achterhoofden kon bekijken. En ik zat op de achterste rij, waar niemand het mijne kon zien.

Het gevoel dat je in de gaten gehouden wordt is mij bepaald niet vreemd. Het zorgt ervoor dat je op je hoede bent voor andere mensen en innerlijk allerlei vreemde kronkels ontwikkelt. Bijvoorbeeld: als je met iemand praat is het de kunst om precies te weten wat je zegt, hoeveel je zegt, en hoe je het zegt. Het doel is om er voor te zorgen dat de ander na afloop geen bewijzen in handen heeft om over jou te rapporteren. Na verloop van tijd komt het erop neer dat je nog steeds een hekel hebt aan verklikkers, maar dat het gecontroleerd worden op zich je niets meer lijkt te kunnen schelen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Een vriend van mij, een schilder, heeft me weleens verteld hoe hij op een avond, toen hij thuis was, ontdekte dat er iemand door een kier tussen de gordijnen naar binnen stond te gluren. Toen hij de deur opendeed, rende de man weg. Mijn vriend heeft daardoor de hele nacht niet kunnen slapen en zelfs gehuild. Hij begreep het zelf ook niet. Na lang nadenken besefte hij dat hij zich beledigd voelde. Hij voelde zich diep in zijn binnenste gekwetst, omdat iemand hem had begluurd terwijl hij niemand ook maar iets gedaan had.

Het was de eerste keer dat ik in China hoorde dat iemand om "zoiets onbenulligs' gehuild had.

Nu ik al zo lang in het Westen woon, ben ik het hierboven omschreven gevoel allang kwijt. Maar vooral in Nederland voel ik me nog telkens schuldig als ik 's avonds op straat loop te wandelen en onwillekeurig een blik door de vensters zonder gordijnen werp. Wat kijk je nou? En als iemand me vertelt dat dit te maken heeft met de bijzondere openheid van de Nederlanders - we hebben geen geheimen; we zijn niet bang om te laten zien hoe we leven - dan krijg ik een geweldig gevoel. Kan dat echt?!

Een Nederlandse vriend vertelde me ooit over een ander geweldig gevoel. Toen hij aan de Universiteit van Peking studeerde raakte hij bevriend met een student uit Noord-Korea. De Noordkoreaanse studenten hadden allemaal de opdracht om elkaar in de gaten te houden en iedereen moest verslag uitbrengen aan zijn eigen geheime "leider'. Op een dag zei de Koreaan, nadat ze flink wat gedronken hadden, tegen hem: “Ik zal je vertellen wie mijn leider is. Het is die-en-die. En wie is de jouwe?” De Nederlander antwoordde dat hij geen leider had. De Koreaan werd boos: “Iedereen heeft een leider. Waarom jij dan niet?” De Nederlander zei dat dat nu eenmaal zo was. Tenslotte zei de Koreaanse jongen: “Goed dan. Als je mijn vriend wilt zijn, vertel het me dan. Als je het me niet vertelt, dan zijn we geen vrienden meer.” Om de vriendschap te bewaren heeft de Nederlander toen maar gezegd dat hij ook een leider had: de cultureel attaché van de Nederlandse ambassade.

In culturele kringen in Beijing wordt ook vaak gekletst over het bestaan van "stillen'. Dichters en schilders verdenken elkaar ervan voor de politie te werken. Maar voor zover ik me kan herinneren, heeft nog nooit iemand mij verdacht. De in het buitenland verblijvende heren van de Chinese democratische beweging grijpen ook regelmatig "spionnen', maar nooit mij. Soms vind ik het gewoon niet eerlijk. Ik zou weleens de een of andere instantie willen verzoeken om een onderzoek naar mij in te stellen. Ik zie reikhalzend uit naar die dag. Ik zou nog liever vandaag dan morgen berecht worden. Ik heb het allemaal al uitgedacht. Mijn eerste zin zal, natuurlijk, zijn: “Ik ben onschuldig!”

En de tweede zin? De tweede zin is: “Ik ben schuldig.”

Maar die is niet gericht tot een mens, maar tot een absoluut wezen, de overal aanwezige ogen van God.