"Geen uitverkoop van Nederlandse industrie'

AMSTERDAM, 12 MAART. "Nederland in de uitverkoop'. Die titel bleek gisteren achteraf alarmerender dan de inhoud tijdens het op de Universiteit van Amsterdam gehouden congres van de Stichting European Stock Exchange Competition in Amsterdam. Waarbij de vraag naar de oorzaken van het verdwijnen van Nederlandse aan de beurs genoteerde ondernemingen naar het buitenland centraal stond. Namens het ministerie van economische zaken stelde directeur-generaal L. Geelhoed zijn gehoor gerust met de opmerking dat de cijfers uitwijzen dat er absoluut geen sprake is van uitverkoop van de bv Nederland.

In zijn optiek staat Nederland in de etalage als vestigingsplaats voor buitenlandse ondernemingen. Hoewel de Nederlandse investeringen in het buitenland vorig jaar 19,1 miljard bedroegen, terwijl de buitenlandse investeringen in Nederland 9,2 miljard waren. Een gapend gat, maar in het World Competetiveness Report van 1992 neemt Nederland een prominente zesde plaats in. Door managers wordt Nederland na Denemarken, Duitsland en Japan op de investerings-hitlijst zelfs een vierde plaats toebedacht. Nederland en Zwitserland waren op 30 september vorig jaar de enige twee Europese landen waar de beurs hoger stond dan een jaar daarvoor. Bovendien is volgens Geelhoed het gemiddelde rendement van Nederlandse bedrijven met 17,5 procent na Spanje het hoogst in de OESO.

Toch heerst na de recente buitenlandse meerderheidsdeelnemingen in Nedcar en Fokker meer en meer het besef dat het imago van de Nederlandse economie forse deuken heeft opgelopen. De nieuwste cijfers van het Centraal Planbureau zijn ook weinig rooskleurig. De toekomst van de industrie is ondanks alle mooie statistieken bepaald zorgwekkend.

Geelhoed benadrukte dat de industrie ook in de toekomst de ruggegraat van de Nederlandse economie moet blijven. Hoewel het op dit punt sinds de jaren tachtig is gebleven bij een vage nota van premier Lubbers en er daadwerkelijk nauwelijks inhoud gegeven is aan een nationaal industrieplan. Harde kritiek was er ook van J. Ariëns, directielid van de Nationale Investeringsbank. Hij verweet dat de grote institutionele beleggers, zoals verzekeraars en pensioenfondsen, in hun beleggingen "extreem risicomijdend' zijn. Waarbij de neiging bestaat meer te letten op rendement op korte termijn dan op langere termijn. Ariëns vroeg zich af in hoeverre dit heeft bijgedragen aan de zwakke positie van de Nederlandse industrie om zich op Europees niveau te profileren.

De oorzaken van de zorgwekkende positie van de Nederlandse industrie werden gezocht de hoogte van de collectieve lastendruk en te weinig technologische steun van de overheid voor met name projecten met een hoge toegevoegde waarde. Op één onderdeel stak het bedrijfsleven de hand in eigen boezem: ook in die sector wordt te weinig geld genvesteerd in onderzoek en ontwikkeling.