Een doolhof van onzekerheden; Jan Siebelink over de jaren vijftig

Jan Siebelink: Verdwaald gezin. Uitg. Meulenhoff, 304 blz. Prijs ƒ 39,50

Op de eerste bladzijden van zijn nieuwe roman lijkt Jan Siebelink luchthartiger met zijn figuren om te springen dan hij ooit eerder heeft gedaan. Er is een man die niet zonder gewichtigheid allerlei beuzelachtige werkzaamheden verricht op een bureau Registratie en Postzaken, een ander die hem vraagt een kladje te maken voor het nieuwe ontwerp "Handwijzer Bezoekers Studiezaal' en een derde die zelfvoldaan komt mededelen dat hij bezig is met een nota "Archief van de toekomst of toekomst van het Archief'. Als dit geen schertsfiguren zijn, dan zijn het wel mensen die met een behoorlijke dosis ironie bekeken worden. Die luchtiger toon en de ironie zijn deel van het versoberingsproces waar Siebelink in zijn schrijven al jaren mee bezig is. Vroeger had hij de neiging om grote woorden en overdadige symbolentaal te gebruiken als hij de onvolmaaktheid en vooral de broeierigheid van de menselijke verhoudingen wilde laten zien. De grote woorden zijn eruit en de vracht aan symbolen is verdwenen. Als gevolg daarvan zijn de romans - dit is zijn achtste - steeds helderder en overtuigender geworden. De schertsende houding die hij bij het begin van dit boek tegenover zijn figuren lijkt aan te nemen is maar schijn. Siebelink is nooit een schrijver geweest die zijn personages voor de leeuwen gooide en ook hier laat hij ze, in weerwil van de ironie, geheel in hun waarde.

De drie mannen uit het begin van de roman werken op het Archief in Arnhem. Het jaar van handeling is 1956, de tijd waarin men nog druk bezig was met de wederopbouw van de stad. Het was ook de tijd van baljurken en stola's, van zoetige liedjes, de C.H.U. en Tilanus, maar zoals altijd bij Siebelink, de actualiteit blijft op de achtergrond en dringt niet echt door in het verhaal. Suez en Hongarije worden zelfs niet genoemd. Zo op het oog leiden die archivarissen een leven waar weinig beweging in zit maar, ook weer zoals altijd bij Siebelink, onder de oppervlakte is het een en al roerigheid. "Wij leiden hier maar een rustig bestaantje', zegt een van hen tevreden, en na even opgesomd te hebben waaruit dat leven bestaat, constateert hij: "En zo is het ook goed, om niet te verdwalen in de boze wereld.' De boosheid die in hemzelf schuilt, komt pas later aan het licht. En niet verdwalen? De man tegen wie hij dit zegt, is met zijn gezin allang reddeloos verdwaald. Dat is de man die bij de Registratuur werkt, Hugo Sprenger, een tamelijk weerloze figuur, zo passief en onzeker als veel van Siebelinks mannenfiguren. Hij wil wel maar hij heeft nooit de kracht om tegen de stroom op te roeien. Een dromer, noemt een collega hem. Soms neemt zijn gedroom Walter Mitty-achtige proporties aan. In een typerende scène doet hij zich voor als oud-officier van gezondheid, terwijl hij zich bij de officiersopleiding zo dadenloos had gedragen dat men hem woedend had weggestuurd en hij zijn medicijnenstudie had opgegeven omdat hij niet tegen de snijzaal kon. Ook zijn plannetjes om een plotselinge verliefdheid op een vrouwelijke collega om te zetten in een romantische liefdesgeschiedenis getuigen van een aandoenlijk gebrek aan werkelijkheidszin.

Hugo's huwelijk met Paula is zeer gespannen. Hij doet wel eens een toenaderingspoging, maar zij kan niet meer verdragen dat hij haar aanraakt. Allebei hadden ze indertijd hun verloving willen verbreken maar allebei hadden ze de weg van de minste weerstand gekozen. Paula is niet een van die harpijen uit Siebelinks vroege werk. Deel van het versoberingsproces is ook dat de personages minder extreme kanten vertonen. Paula is eerder week dan hard, ook letterlijk, door haar verslaving aan gebak en zoetigheid. Ze wil wel van haar logge lichaam af en een ander leven beginnen, maar daar komt het niet van. In Siebelinks wereld speelt het lot een grote rol en evenmin als haar man is Paula sterk genoeg om het lot een handje te helpen. Tegenover haar zeventienjarige dochter Noor is zij de berekenende, eerzuchtige, domme, bazige moeder die het meisje steeds verder van zich vervreemdt. Noor lijkt meer op haar vader dan op haar moeder. Ze is net zo dromerig als hij en volkomen vrij van berekening. Van enige nadruk op de erfelijkheid, die vroeger bij Siebelink een bijna even grote rol speelde als bij de naturalisten, is overigens geen sprake meer. De verhoudingen in het gezin worden nu op een veel subtieler manier afgewogen.

Wat wel gebleven is, is de kunstige structuur. De verteller springt heen en weer in de tijd en weet steeds op het goede ogenblik de aandacht op het verleden te richten om een raadseltje op te lossen of juist een nieuw op te geven. Buitengewoon intrigerend is de terugblik op Hugo's belevenissen in de meidagen van 1940 waar Siebelink erin slaagt de spanning à la Hermans op te voeren tot die van de beste thriller. Bovenal is de roman een meeslepende uitbeelding van de tragiek van een gezin dat door eigen zwakheden en onzekerheden in een doolhof is terechtgekomen.