Drinken in een wijnvat; Twee monumentale gidsen van Amsterdam

Gerrit Vermeer, Ben Rebel, Jan Jüngen (red.): d'Ailly's Historische Gids van Amsterdam. Uitg. SDU, 758 blz. Prijs ƒ 59,50.

Paul Spies e.a.: Het Grachtenboek II. Uitg. SDU 260 blz. Prijs ƒ 225,-.

De twee monumentaalste boeken over Amsterdam van het laatste jaar verschenen opmerkelijk genoeg bij een Haagse uitgeverij, de SDU oftewel de geprivatiseerde Staatsdrukkerij en -Uitgeverij. Het zijn de d'Ailly's Historische Gids van Amsterdam en Het Grachtenboek II. (En eigenlijk moeten we daar het eind 1991 verschenen Grachtenboek I nog bijtellen.) Ook in het licht van de beroerde financiële situatie waarin de SDU de laatste jaren was terechtgekomen door het in hoog tempo uitgeven van onverkoopbare prachtboeken, mag dit nogal verbazend heten; ook deze nieuwe uitgaven moeten een lieve duit gekost hebben. Gelukkig is het commercieel risico niet mijn zorg en kan ik mij onbekommerd verheugen dat deze boeken hoe dan ook tot stand gekomen zijn. Al is mijn vreugde gemengd met enige teleurstelling, althans over de nieuwe gids.

Die gids wordt, zoals de titel al aangeeft, gepresenteerd als heruitgave van een klassieker: de Historische Gids van Amsterdam door A.E. d'Ailly, voor het eerst verschenen in 1929. De schrijver was niet (zoals vaak gedacht) de populaire burgemeester van de jaren vijftig, Arnold d'Ailly, maar diens oom, Antoine Everard (Ton) d'Ailly, die leefde van 1875 tot 1959. Aan de hand van zijn vader leerde hij Amsterdam kennen en werd om zijn expertise in 1911 opgenomen in het bestuur van het Genootschap Amstelodamum, waarvan hij tot 1928 penningmeester was. In die functie kwam ook zijn zakelijke ervaring van pas; na een vastgelopen biologiestudie was hij een handel in deurbeslag en sloten begonnen. Later kon hij hobby en broodwinning toch nog enigszins combineren in een bescheiden baan op het Amsterdamse Gemeentearchief.

De titel Historische Gids van Amsterdam klopte eigenlijk niet helemaal. D'Ailly beschreef alleen de stad binnen de Singelgracht (Nassaukade, Stadhouderskade, Mauritskade), dus het Amsterdam van voor 1860, toen het Vondelpark en omgeving en even later, als eerste nieuwe arbeiderswijk, de Pijp tot stand kwamen. Aan het wel behandelde gedeelte had D'Ailly ongetwijfeld zijn handen meer dan vol. Bijna iedere straat van enig belang kwam wel aan bod in een van de vijftien uitgekiende wandelroutes en iedere bijzonderheid op de route werd wel even genoemd. In 1949 verzorgde D'Ailly zelf de eerste herdruk, uitgebreid met drie wandelingen. De derde editie verscheen in 1963, vier jaar na D'Ailly's dood. Nu werd de actualisering ter hand genomen door mr. H.F. Wijnman (1896-1980), van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. D'Ailly's tekst bleef zijn uitgangspunt. De inleidingen werden geheel herschreven door mr. J.H.van den Hoek Ostende van het Gemeentearchief. Vrij kort daarna, in 1971, verscheen de vierde druk, waarin de woelingen des tijds voorzichtig doorklinken. Weliswaar wordt van Het Lieverdje op het Spui alleen vermeld dat sigarettenfabriek Hunter dit beeldje van Carel Kneulman aan de stad schonk, en wordt de Maagdenhuisbezetting van 1969 genegeerd, maar de Damslapers, Paradiso, Fantasio/De Kosmos en het hoofdkwartier van de Socialistiese Jeugd in de Haarlemmer Houttuinen passeren wél de revue.

Deftig

De onlangs verschenen gids wordt gepresenteerd als de "vijfde geheel herziene editie' van D'Ailly's Amsterdam-bijbel, maar dat is om twee redenen aanvechtbaar.

Ten eerste ziet de SDU, die in 1989 het uitgaverecht overnam van Allert de Lange, de echte vijfde druk uit 1974 over het hoofd. Die verschilde van de vierde druk niet alleen door de uitvoering (paperback en in één deel), maar ook inhoudelijk. Evert Werkman loste Simon Carmiggelt af als voorwoordschrijver en incidenteel is nieuwe informatie verwerkt. Zo wordt in 1974 de sluiting van de kerk De Zaaier aan de Rozengracht (maart 1971) gemeld, een feit dat de editie van 1971 net niet meer haalde.

Belangrijker is dat de SDU-gids (met D'Ailly's naam in de titel) inhoudelijk vrijwel niets meer te maken heeft met het boek uit 1929. In de edities van 1971 en 1974 waren hele tekstgedeelten nog letterlijk aan D'Ailly ontleend, al ontbrak zijn naam vreemd genoeg op de titelpagina.

De meest in het oog springende verandering is zeer toe te juichen. Eindelijk worden ook de stadsgedeelten beschreven die eind vorige eeuw en begin deze eeuw tot stand kwamen, althans "representatieve' delen daarvan: negen van de 21 wandelingen voeren door buurten buiten de Singelgracht. Uit de 19de eeuw zijn dat de deftige wijk rondom Vondelpark-/Museumbuurt (voor de elite) en de Pijp, Spaarndammer-, Zeehelden-, Dapper- en Oosterparkbuurt (voor de arbeiders). Van de "Ring 20-40', de tussen beide wereldoorlogen gebouwde stadsdelen, komen Plan-Zuid, Plan-West, Bos en Lommer, de Transvaalbuurt en de tuindorpen in Noord aan de orde. Van de naoorlogse stadsuitbreidingen viel de keus op het nieuwe deel van Bos en Lommer, Frankendael, een stukje Buikslotermeer en de Bijlmer. Door ruimtegebrek gedwongen, moest nog altijd een behoorljk deel van de stad onbeschreven blijven, zoals het Oostelijk Havengebied, de Kinkerbuurt, een groot deel van Noord en de meeste westelijke tuinsteden. Toch bestond er tot op heden nog niet een gids waarin zo'n groot deel van Amsterdam werd beschreven als in deze. Niet alleen het beschreven gebied is uitgebreid, ook de hoeveelheid relevante literatuur over Amsterdam is veel groter dan negentien jaar geleden. Coördinator Gerrit Vermeer van het Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam zag er dan ook wijselijk vanaf om eenzaam in het voetspoor van D'Ailly en Wijnman te treden. Uiteindelijk is de nieuwe gids geschreven door meer dan 20 personen.

De wandelingen worden voorafgegaan door twee heldere en degelijke inleidingen, over "De groei van Amsterdam' en "Stijlen en stromingen in de architectuur van Amsterdam'. Die onderwerpskeuze is niet toevallig. Terwijl het onderwerp geografisch aanzienlijk is uitgebreid, is het thematisch sterk ingekrompen. De samenstellers hebben bewust het accent gelegd op "de architectuur in een historisch en stedebouwkundig perspectief'. Al zijn de selectiecriteria soms duister (waarom worden bijvoorbeeld aan de Rozengracht de opvallendste gebouwen - bovengenoemde kerk De Zaaier, nu moskee, en het Roothaanhuis - helemaal niet genoemd?), als architectuurgids is het een geslaagd boek. Een echte opvolger van D'Ailly's gids is het echter niet. Zijn gids blonk juist uit in de veelheid van aspecten die hij letterlijk "en passant' aan de orde stelde: stadsontwikkeling, architectuur, kunst, religie, nijverheid, bewoningsgeschiedenis, theaterleven, horeca, politiek, onderwijs en wat al niet. Dat maakte zijn boek behalve leerzaam ook levendig. Leerzaam is de nieuwe gids wel degelijk, maar na een aantal bladzijden architectonisch jargon snakt de lezer naar een smakelijke anekdote over de mensen die schuilgaan achter al die trapgevels, rococo-klokgevels, dynamische dakopbouwen, en lisenen die zich voortzetten in de hals en worden verbonden door een rondboog.

Gelagkamer

Wat dat betreft kunnen we in Het Grachtenboek II ons hart ophalen. Terwijl in het eerste Grachtenboek de 17de-eeuwse grachtengordel werd behandeld, beschrijft dit boek de waterwegen van de stad binnen haar grenzen tot omstreeks 1600, tussen de voormalige Nieuwezijds Voorburgwal (Spuistraat) in het westen en de Oude Schans in het oosten. De term gracht is gelukkig breed opgevat. De Amstel en het IJ tellen mee, net als de gedempte burgwallen van de Nieuwe Zijde en zelfs de Dam en de Nieuwmarkt. Het verschil tussen dit uitbundig geïllustreerde boek en de gids blijkt bijvoorbeeld in de beschrijving van de Oudezijds Voorburgwal. Van nummer 1 meldt de gids alleen: "Halsgevel uit 1736 met in de top een druiventros.' Het Grachtenboek voegt daaraan toe dat in de 17de eeuw achter deze gevel een kolossaal wijnvat was ingericht als gelagkamer; er konden 32 mensen zitten. Van nummer 14 noemen Vermeer en de zijnen wel de leeuwemaskers in de fries boven de puibalk en de gekruiste sleutels op de gevelsteen. Maar voor de uitleg dat die ornamenten verband houden met de twee namen van het pand, "De Leuwenburg' oftewel "Het Wapen van Riga', moeten we weer de gids van D'Ailly en Wijnman of het nieuwe grachtenboek raadplegen. (De opdrachtgever was een Lutherse koopman uit Riga.) Het gebruikersplezier van het Grachtenboek wordt nog verhoogd door vier voortreffelijke inleidingen (over stadsontwikkeling, kerken en kloosters, woonhuisarchitectuur en cityvorming), een degelijk notenapparaat en een uitgebreid register.

Het boek is veel te zwaar om mee te slepen, maar in gedachten kan de lezer toch meewandelen, omdat alle beschreven grachtengedeelten zijn gefotografeerd. Toch jammer dat niet alle bebouwing van Amsterdam aan het water ligt. Daarom koester ik ondanks alles mijn steeds losbladiger D'Ailly/Wijnman van 1974.