De verpersoonlijking van het ochtendhumeur; Naar Van Morrison

Je hebt de aanwezigheid van Van Morrison en zijn musici niet nodig om toch met zijn klanken voor de draad te kunnen komen. Daardoor is hij niet alleen iemand naar wie je eens hebt geluisterd, maar ook: degene met wie je jezelf uitbreidt om een moment kracht bij te zetten, of zelfs te laten ontstaan.

Sinds geluid kan worden opgeslagen en afgespeeld moet er iets faliekant veranderd zijn in onze verhouding tot de muziek waar we van houden. Deze verandering laat zich misschien beschrijven aan de hand van een zaterdagochtend in oktober 1970. Ik werd toen voor het eerst van mijn leven wakker naast iemand.

Het eerste Doen wordt geloof ik overtroffen door het eerste Ontwaken. Het was in ieder geval zo dat ik, na een tijdje te hebben liggen ontwaken, opstond en een plaat opzette. Zij sliep nog: ik wist uitzonderlijk nauwkeurig welke muziek ik op moest zetten, en ik wist al even nauwkeurig wat ik wilde: haar wekken met deze muziek. Misschien heb ik eerst overwogen om haar zelf te wekken, opdat zij van mij wakker zou worden, maar ik besloot de muziek dit werk te laten doen. Dus zette ik het nummer op waarvan ik wist dat ook zij het 't mooiste vond. Een beter, voornamer, gepaster ontwaken was dat najaar domweg ondenkbaar. Ik denk dat ik me, toen het nummer begon te klinken, zowat God de Schepper voelde. In ieder geval voelde ik me dat nu meer dan de avond te voren, toen ik eigenlijk meer Adam het Klunsje was geweest.

Het nummer heette Crazy Love, het stond op de lp Moondance van Van Morrison en als ik al een reden had om de zanger eens in het echt te zien optreden, vorige week, dan was het om te kunnen denken: misschien doet zich door een wonder de gelegenheid voor om hem te vertellen dat zijn stem het instrument van mijn eerste ochtend is geweest.

Deze herinnering bestaat bij de gratie van de elektronische klankreproduktie. Voordat die bestond moest je de muziek die paste bij je gemoed op eigen kracht herinneren. Een eeuw geleden had ik op een vergelijkbare ochtend met mijn eigen stem een vergelijkbaar liedje moeten zingen.

Het heeft weinig zin om te verzuchten dat dat allemaal mogelijk nog mooier geweest zou zijn. Waar het me om gaat is dat heel veel muziek tegenwoordig, in zijn exact-weergegeven hoedanigheid, het gelijktijdige instrument van een ontroering kan worden. Je hebt de aanwezigheid van Van Morrison en zijn musici niet nodig om toch met zijn klanken voor de draad te kunnen komen. Daardoor is hij niet alleen iemand naar wie je eens hebt geluisterd, maar ook: degene met wie je jezelf uitbreidt om een moment kracht bij te zetten, of zelfs te laten ontstaan. Muziek is niet langer uitsluitend een kwestie van herinnering (of van eigenhandig vertolken), maar zij is in minstens even sterke mate een verlengstuk van het heden, een gereedschap van je eigen gemoed.

Ik ben de muziek van Van Morrison blijven draaien, met dien verstande dat ik na Moondance nauwelijks nog goed naar nieuwe nummers heb geluisterd. Zo sloot ik hem op in zijn eerste muziek. En die bleef voor altijd verwijzen naar die eerste ochtend. Ook dat is welbeschouwd vreemd: de letterlijkste, objectiefste weergave diende ervoor om het subjectiefste, een herinnering aan een inwijding, op te rakelen. Crazy Love bleef noot voor noot en ademhaling voor ademhaling hetzelfde Crazy Love.

Conserveringsmiddel

Op een of andere manier werd Van Morrison verzegeld. Net als Bob Dylan, Mick Jagger en Jimi Hendrix klonk hij, zo leek het, voor eeuwig uit het verleden. Er werd altijd beweerd dat popmuziek zo jong was en toekomstgericht en helemaal van deze tijd - maar welbeschouwd verwezen deze stemmen al na een paar maanden naar het ogenblik waarop ze hun speciale "instrumentele' werk hadden gedaan. Je had ze opgezet om zelf, tijdens een feestje, een autorit, een gesprek, een ogenblik mee te beheersen. Dat ogenblik zou verdwijnen. De muziek diende als conserveringsmiddel. Popmuziek is terugblikmuziek, en misschien wel per definitie reactionair.

Het concert van de Stones maakte me dat twee jaar geleden op een bijna helse manier duidelijk. Ik bevond me maar voor een heel klein gedeelte daar, in de Kuip; voor een veel groter deel was ik ergens anders. Telkens wanneer ik een nummer herkende begon er een twintig jaar ouder deel van mezelf mee te zingen, het bleek zich plotseling complete coupletten te herinneren, het voegde zich naar een motoriek van lang geleden. Ik zou absoluut niet kunnen zeggen hoe de Stones nu eigenlijk klonken, op die gedenkwaardige zomeravond. Ik luisterde in de verleden tijd, Mick Jagger werd exact degene die hij altijd al was en die hij gedurende de tussenliggende jaren, wanneer ik zijn platen opzette, ook al was door letterlijk gereproduceerd te zijn geweest.

De gang naar Muziektheater Vredenburg, waar Van Morrison het eerste concert van zijn tournee zou geven, had alles bij elkaar dus wel iets weg van een tocht naar de Hades. Onderweg in de trein overwogen we nog even of het niet beter ware geweest als hij in 1975 gestorven was, om, net als Jimi Hendrix, de verzegeling van zijn tijd niet meegemaakt te hoeven hebben. Vervolgens probeerden we het denkbeeld uit dat hij al gestorven was en alleen gedurende die avond zijn Goede Vrijdag beleefde. Daarna probeerden we ons voor te stellen dat wij de gestorvenen waren, en hij onze Orpheus. We waren hoe dan ook onderweg naar iets wat niets met het heden te maken had. Dat we bijna koortsig waren van afwachting konden we niet helemaal verklaren. Ik heb me in geen jaren zo knieënknikkend verheugd als tijdens die treinrit, die gelukkig maar dertig minuten duurde. Het was, net als bij verliefd zijn, alsof de tijd tot de ontmoeting nooit helemaal verstreken zou raken, terwijl er daarna nooit meer tijd zou verstrijken.

Ik kon deze koorts alleen verklaren door aan te nemen dat Van Morrison gedurende de vierentwintig jaar dat zijn stem nu door mijn hoofd spookt, inderdaad zoiets is geworden als een Dode Ziel. Er zijn echte gestorvenen, bijvoorbeeld mijn grootmoeder, wier piano al sinds mijn derde ergens in mijn achterhoofd kan klinken, zij bestaat niet meer, en treedt ook nergens meer op. Van Morrison bevindt zich ergens in de buurt van het grootmoederlijk spelonkje, en nu zouden we hem te zien krijgen!

Het was passend dat het theater waar een Dode Ziel op zou treden leek op een onderwereld, speciaal toen het concert begon en de lichten gedoofd werden. We keken omhoog en zagen een gravure van Gustave Doré, van de Hel van Dante.

Het podiumlicht, diabolisch roze, gloeide op en zonder enige aankondiging bleek hij daar te staan en al lang en breed te zingen. Ik herkende het nummer niet. Ook verstond ik geen woord van wat hij zong. Ik probeerde uit te rekenen hoe oud hij moest zijn, drieënvijftig schatte ik, maar hij leek zestig, en nog nooit heeft er iemand vrijwillig op een podium gestaan die meer de verpersoonlijking was van het Ochtendhumeur dan Van Morrison.

Hij leek in niets op wat ik gedacht had dat hij zou zijn, behalve dan dat hij klein was, meer dan een kop kleiner dan alles wat ik mij aan kleins had voorgesteld. Zijn kop bevond zich daar waar ik een buik had verwacht, en die kop ging zonder enige waarschuwing over in zijn buik. Hij droeg een allesverbruiende gecoate bril. Er was niets dat verried dat hij door ons werd gezien. Hij was het podium opgekomen om nergens te zijn. Nergens anders dan in zijn muziek en zijn stem.

Gangster

Dit had ik niet helemaal verwacht, toch was ik aan het worstelen tegen iets wat op ontroering leek. Alles klonk anders dan hoe het zou klinken. Dit concert verwees helemaal niet naar hoe het geklonken had. Met de Eerste Ochtend had het even weinig te maken als een landschap met een landkaart. Hier stond iemand die met een enerverende precisie en vakmanschap lak stond te hebben aan hoe wij dachten dat hij zou zijn. Als hij al ergens op leek, dan op een van de ruim vijftigjarige gangsters van de onsterfelijke filmer J.P. Melville, die alleen bestaan zolang zij met de grootst denkbare nauwkeurigheid het instrument worden van hun voornemen om een bank te beroven.

Lazer op met je morgenstonden van weleer, zong hij, en mooier dan hij heeft bij mijn weten nog nooit iemand woorden van gelijke strekking gezongen, hoe volmaakt onverstaanbaar hij ook was. Ik ben het instrument van jullie verlangen nooit geweest, zong hij, geen seconde heb ik jullie vertolkt. Ik wil van jullie verlangen naar jullie eigen herinnering niet eens weten, zong hij, mijn verlangen en dat van jullie, wat weten we er van, verlangen is toch geen ruilmiddel, geen vergelijkingsmateriaal, verlangen is wat ik nu ben: een Dode Ziel die alleen als hij op het podium staat iets voorstelt. Alleen als ik klink, zong Van Morrison, doe ik er niet meer toe. Denk mij weg, denk alles weg, en wat je dan hoort, daar gaat het om. Aldus zong hij, Van Morrison.